Algemene Politie Verordening (APV),
Valkenswaard 16 juni 1856.


HOOFDSTUK II.

Toezigt op Personen.

AFDEELING I.

Van het Bevolkings-register en de

Woonplaatsverandering.

ART. 1.

Het hoofd van elk gezin en ieder afzonderlijk levend persoon, die binnen de gemeente zijn gewoon of tijdelijk verblijf wil vestigen, is verpligt, binnen de eerste acht dagen na zijne aankomst, ter plaatselijke secretarie eene verklaring te doen volgens art. 76 van het Burgerlijk Wetboek, en die inlichtingen te geven, welke voor de inschrijving in het bevolkingsregister worden vereischt.
Hij legt daartoe over, indien hij inlander is, het getuigschrift in zijne laatste woonplaats, naar de bepalingen van het Koninklijk besluit van den 15 December 1849 (Staatsblad no.64), verkregen, en, indien hij buitenlander is, zijne reis- of verblijfpas.

ART. 2.

Het hoofd van een gezin en ieder afzonderlijk levend persoon, die het gewoon of tijdelijk verblijf van zijn gezin of van zijn persoon uit de gemeente naar elders overbrengen wil, doet voor zijn vertrek van dat voornemen aangifte ter secretarie, en voorziet zich van een getuigschrift in het vorig artikel omschreven.

ART. 3.

De hoofden van huisgezinnen zijn verpligt tot het doen der aangiften, in de twee voorgaande artikelen bedoeld, van de bij hen inwonende personen.

ART. 4.

De minderjarigen, binnen de gemeente hun tijdelijk verblijf houdende, leggen, binnen eene maand na hunne meerderjarigheid, ter secretarie het getuigschrift over, in art. 1 bedoeld.
De voogden of curators zijn daartoe gehouden binnen gelijken tijd na de aanvaarding van hunne betrekking, ten aanzien der onder hun toezigt gestelde personen, die in eene andere gemeente hun verblijf houden.

ART. 5.

De overtreding van eene der bepalingen van deze afdeeling wordt gestraft met eene geldboete van twee gulden.

AFDEELING II.

Van de verdeeling der gemeente in wijken

en het nummeren der huizen.

ART. 1.

De gemeente wordt verdeeld in 4 wijken die door letters worden aangeduid.

ART. 2.

De woonhuizen en gebouwen worde, met een doorloopend nummer geteekend.

ART. 3.

De letters en nummers volgens het model ter plaatselijke secretarie aanwezig, worden geslagen op den hoofdingang van elke woning, eerstmaal ten koste der gemeente.
Wordt door het gemeentebestuur eene nieuwe algemeene nummering gelast, geschiedt zij ten koste der gemeente.

ART. 4.

De bewoners of gebruikers zijn verpligt de letters en nummers, op de wijze bij art. 3 omschreven, ten hunnen koste te onderhouden.

ART. 5.

Die na het in werking treden dezer verordening een gebouw daarstelt, doet binnen acht dagen na de voltooijing, daarvan aangifte ter secretarie. Zoodanig gebouw bekomt het nummer van het naast voorgaande gebouw, met bijvoeging der letters A, B en zoo vervolgens.

ART. 6.

De overtreding van eene der bepalingen van deze afdeeling wordt gestraft met eene geldboete van n gulden.

HOOFDSTUK III.

Handhaving der openbare orde,

rust en veiligheid.

AFDEELING I.

Van de Herbergen, tapperijen enz.

ART. 1.

De herbergen, tapperijen en dergelijke voor het publiek openstaande plaatsen, moeten gesloten zijn van s avonds 10 tot s morgens 3 ure.
Gedurende dien tijd is het aan niemand geoorloofd zich daar op te houden uitgezonderd aan:
a. de leden van het huisgezin;
b. vreemdelingen aldaar logerende, die behoorlijk zijn vermeld op het register bij art. 475 no 2 van het Wetboek van Strafregt voorgeschreven; en:
c. personen wier tegenwoordigheid aldaar volstrekt noodzakelijk of onvermijdelijk is.

ART. 2.

In bijzondere omstandigheden kan de bepaling van het uur van sluiting door den Burgemeester tijdelijk worden gewijzigd.

ART. 3.

Het is den tappers verboden drank te schenken of te verkoopen aan personen, die van eenig armenfonds worden bedeeld of onderhouden of die, blijkbaar reeds, in eenen beschonken staat verkeeren.

ART. 4.

Bij het ontstaan van twist, vechtpartijen of oneenigheden, zal de Burgemeester (wanneer hij zulks dienstig oordeelt) de herberg en tapperij doen ontruimen en zal ieder, op zijne vordering, dezelve onmiddelijk moeten verlaten, en bij weigering met geweld daaruit gezet kunnen worden.

ART. 5.

Buiten de invallende kermis week, zullen geene openbare muziek- Danspartijen en dergelijke worden gegeven zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van den Burgemeester, en zal het nimmer geoorloofd zijn, deze te doen plaats hebben na zons ondergang.

ART. 6.

De houders der huizen in art. 1 bedoeld , zijn verpligt den toegang hunner huizen te verleenen aan den Burgemeester, de Veldwachters, de Officieren en onder Officieren der Marchausse, en wordt aan deze ambtenaren den last verstrekt, de woning ten allen tijde hun ondanks binnen te treden, mits in bijzijn van een der personen aangewezen bij art. 3 der wet van den 31 Augustus 1853, (Staatsblad no. 83.)

De overtredingen dezer afdeeling zullen gestraft worden als volgt:
Die van art. 1 ten aanzien van den houder der huizen, met eene boete van 3,- en ten aanzien van elk der daarin bevonden bezoekers 1,- en die van art. 5 voor de houders der huizen 6,- en voor elk der bezoekers 1,- en die van de art. 3, 4 en 6 met eene geldboete van 6,-.
De houder der huizen zal van de boete bij art. 1 bepaald zijn vrijgesteld, wanneer hij aan de politie zal hebben kenbaar gemaakt, dat de bezoekers zijner huizinge die niet, ten bepaalden tijd hebben verlaten.

AFDEELING II.

Van Jaarmarkten of Kermissen.

ART. 1.

Ieder ter kermis of markt komend persoon is verpligt zijne tent, kraam, tafel, kar of ander stellaadje, koopwaren, paarden, beesten enz. te plaatsen, waar het door of van wege Burgemeester en Wethouders wordt aangewezen.

ART. 2.

Het is verboden:
a. bedorven vleesch, spek of visch, ter beslissing van een door Burgemeester en Wethouders aangewezen persoon, ter markt te brengen;
b. onverminderd de bepalingen van art. 475 no. 5 en art. 479 no. 7 van het Wetboek van Strafregt, planeten te trekken, kaarten te leggen of andere tot afzetterij, onzedigheid of rustverstoring aanleiding gevende spelen of gezangen, hoe ook genaamd, op de markten of kermissen te vertoonen of te doen plaats hebben.

ART. 3.

Ter handhaving van orde en rust, en ter voorkoming van ongelukken is een ieder, die daartoe aanzegging gedaan wordt door of van wege Burgemeester en Wethouders, verpligt het ter markt gebragte vee of alle andere voorwerpen terstond te verwijderen.

ART. 4.

De overtreding van eene der bepalingen dezer afdeeling wordt gestraft met eene geldboete van 4,-.

AFDEELING III.

Van het Vee.

ART. 1.

Het is verboden:
a. Eenig vee hoe ook genaamd, voor zoo ver daartegen niet is voorzien bij de art. 471 no. 14 en 475 no. 10 van het Wetboek van Strafregt, te laten loopen of grazen op gronden bij een ander in gebruik;
b. paarden, runderen of schapen langs de openbare wegen of op heigronden en erven der gemeente te laten grazen zonder bewijs, afgegeven door Burgemeester en Wethouders;
c. van den 1 April tot den 1 November van elk jaar te komen met eenig vee op de wegen of voetpaden, loopende door de akkers of weivelden, die niet door een sloot, hegge of heininge van de daarnevens liggende gronden of erven zijn afgescheiden;
d. eenig vee over andere binnen- of landwegen en voetpaden te leiden of drijven dan alleen over die, welke naar den grond van den eigenaar of gebruiker loopen, zonder nogtans dat het vee zich mag ophouden om langs de kanten of hagen te kunnen weiden;
e. hengsten of stieren langs of over de openbare wegen anders te drijven dan behoorlijk aan de hand vastgehouden, onder geleide van een of meer daartoe geschikte personen.

ART. 2.

Het vee, zonder geleide bevonden op de gemeente- of particuliere gronden of op openbare wegen en voetpaden, wordt geschut, in verzekerde bewaring gesteld, en voor rekening van den eigenaar onderhouden.

ART. 3.

Indien de eigenaar het geschutte vee niet binnen acht dagen opvordert, brengen Burgemeester en Wethouders, onder opgaaf der kennelijke teekenen van het vee, de schutting ter openbare kennis, door afkondiging in deze en aangrenzende gemeenten, en door middel van een in de hoofdplaats der provincie uitgegeven nieuwsblad.

ART. 4.

Is binnen veertien dagen na die bekendmaking het geschutte vee niet door den eigenaar of regthebbende gelost, wordt het door Burgemeester en Wethouders, na eene zondagsche bekendmaking van den dag en het uur, in het openbaar, aan den meestbiedende, om gereed geld, verkocht.
Uit de kooppenningen worden betaald de boeten, de kosten van stalling en voeder, en de kosten van bekendmaking en verkooping.
De overblijvende gelden worden in de gemeentekas gestort; zij worden uitgekeerd aan den eigenaar van het verkochte vee, indien hij die binnen den tijd bij de wet op de verjaring bepaald vordert.

ART. 5.

Verschijnt de eigenaar binnen den in art. 3 en 4 vermelden tijd tot lossing van het geschutte vee, wordt dadelijk bij de lossing gevorderd de voldoening der kosten van stalling en voeder, en de kosten van de bekendmaking in art. 3 bedoeld.

ART. 6.

De overtreding van eene der bepalingen van art. 1 dezer afdeeling wordt gestraft met eene geldboete van :
Een gulden vijftig cents voor elk paard;
een gulden voor elk runderbeest, geit, ezel of varken;
een gulden voor een schaap en drie gulden voor eene kudde schapen; onverminderd het regt van den eigenaar of gebruiker der gronden tot vergoeding der veroorzaakte schade tegen den overtreder; zullende de boete wanneer de overtreding des nachts plaats heeft, tweemaal worden verdubbeld.

HOOFDSTUK IV.

Voorkoming van Rampen

en Ongelukken.

AFDEELING 1.

Van de Nachtwacht.

ART. 1.

De bepaling der tijden, op welke dag- of nachtwachten gehouden worden, geschiedt door Burgemeester en Wethouders.
Zij zorgen voor het opmaken en bijhouden der lijst van hen, die, ingevolge art. 2 der verordening regelende den aard en duur der persoonlijke diensten, tot de dienst der nachtwachten kunnen worden opgeroepen, en bepalen het getal manschappen, die gelijktijdig de wacht waarnemen. De wacht staat onder de bevelen van den door Burgemeester en Wethouders benoemden aanvoerder.

ART. 2.

De aanzegging tot het betrekken der nachtwacht geschiedt, - spoedeischende gevallen uitgezonderd, - ten minste 24 uren te voren door den veldwachter of een ander daartoe door den Burgemeester aan te wijzen persoon.
De manschappen zijn verpligt op den bij de aanzegging bepaalden tijd en plaats tegenwoordig te zijn. Bij gebreke hiervan zal, onverminderd de daardoor te beloopen boete, een geschikt persoon ten hunnen koste kunnen gesteld worden.

ART. 3.

Uit ieder huis wordt niet meer dan een persoon gelijktijdig tot de wacht geroepen.

ART. 4.

De wachten gaan in stilte rond.
Ieder manschap moet voorzien zijn van een piek, stok of zoodanig wapen, als hem door Burgemeester en Wethouders zal worden beschikt.

ART. 5.

Het buiten noodzaak zich ophouden in herbergen of bijzondere woningen is verboden.

ART. 6.

De wachthebbenden moeten gehoorzamen aan de bevelen van den aanvoerder, en zich onthouden van dronkenschap en dergelijke ongeregeldheden; de aanvoerder regelt al wat tot de dienst behoort, en volgt daarbij op de voorschriften of aanwijzingen, die hem deswege door den Burgemeester worden gegeven.

ART. 7.

De aanvoerder doet na den afloop der wacht, voor 10 ure des voormiddags, aan den Burgemeester opgaaf van verzuimde of te late opkomst, ongehoorzaamheid of ongeregeldheden der manschappen, en van alle bijzondere voorvallen gedurende den wachttijd.

ART. 8.

De overtreding van een der bepalingen van de artt. 2 tot en met 7 dezer afdeeling wordt gestraft met eene geldboete van 3,-

AFDEELING II.

Van Drenkelingen.

ART. 1.

Die een drenkeling ontdekt is verpligt de middelen tot redding, waartoe hij in staat is, aan te wenden.

ART. 2.

Hij is gehouden van zijne ontdekking dadelijk kennis te geven aan den Burgemeester, de hulp in te roepen van een geneesheer, en zonder de tegenwoordigheid der politie af te wachten, te zorgen dat de drenkeling, zoodra mogelijk, wordt opgenomen in een gasthuis of herberg, zoo die in de nabijheid aanwezig is, en bij gebreke daarvan in een bijzondere woning.

ART. 3.

Ieder is gehouden een drenkeling, op last der politie, in zijn huis te ontvangen.

ART. 4.

De overtreding van eene der bepalingen van deze afdeeling wordt gestraft, voor zoo ver daartegen niet is voorzien bij art. 475 no. 12 van het Wetboek van Strafregt, met eene geldboete van vijf gulden.

AFDEELING III.

Van Honden.

ART. 1.

De eigenaars of bezitters zijn verpligt, onverminderd het bepaalde bij art. 475 no. 7 van het Wetboek van Strafregt, hunne honden die gevaarlijk worden geacht, op de eerste aanzegging van Burgemeester en Wethouders, vast te leggen of hen door het doen dragen van een door den Burgemeester goedgekeurde muilkorf of muilband, onschadelijk te maken.
Bij verzuim van aan dit bevel te voldoen worden de honden gedood.

ART. 2.

De honden die een voertuig trekken, moeten door het dragen van een muilkorf onschadelijk zijn gemaakt.

ART. 3.

Wordt vermoed, dat in de gemeente of hare nabijheid een dolle hond aanwezig is of wordt het tot wering van hondsdolheid dienstig geacht, kan, behoudens de bij de jagtwet toegekende bevoegdheid, na openbare bekendmaking, het dadelijk vastleggen der honden, gedurende ten langste drie maanden, door Burgemeester en Wethouders worden bevolen.
Het wordt terstond bevolen wanneer een geval van hondsdolheid zich openbaart.
De honden die gedurende dien tijd los loopen worden gedood.

ART. 4.

Elk eigenaar of bezitter, wiens hond of ander dier door eenen dollen of van dolheid verdachten hond wordt gebeten, is verpligt daarvan terstond aangifte te doen aan den Burgemeester.

ART. 5.

De honden die dol zijn of vermoed worden dol te zijn, en de honden, die door eenen dollen of van dolheid verdachten hond zijn gebeten, worden afgemaakt.

ART. 6.

Andere door eenen dollen of van dolheid verdachten hond gebeten dieren worden of afgemaakt of in eene afzonderlijke plaats behoorlijk opgesloten en bewaakt, tot zoolang dat, volgens verklaring van een deskundige, alle gevaar voor dolheid is geweken.
Bij het ontstaan van dolheid bij die dieren worden zij gedood.

ART. 7.

Gevaarlijke honden, die des nachts zonder muilkorf of zonder opzigt of geleide op den openbaren weg worden aangetroffen worden gedood.

ART. 8.

Het dooden van honden en andere dieren, uit kracht der vorenstaande bepalingen, geschiedt overeenkomstig art. 180 der gemeentewet op last van Burgemeester en Wethouders.

ART. 9.

De overtreding van eene der bepalingen van de artts. 1, 2, 3, 4, 6 en 7 dezer afdeeling wordt gestraft met eene geldboete van twee gulden.

HOOFDSTUK V.

Straat-Politie.

AFDEELING I.

Van het schoonhouden enz. der Straat.

ART. 1.

Ieder hoofdbewoner of gebruiker, ieder eigenaar of beheerder is verpligt vr of langs zijne in de kom der gemeente gelegen gebouwde of ongebouwde eigendommen, wanneer het door aanzegging of bij openbare afkondiging van wege Burgemeester en Wethouders wordt bevolen:
a. de straat waar geene overburen zijn ter geheele, - en waar overburen zijn ter halve breedte schoon te vegen, en het slijk en ander vuilnis daarvan weg te voeren;
b. de gooten of rioolen te zuiveren;
c. de sneeuw van de straat weg te ruimen;
d. de straat bij vriezend weder en gladheid, ter breedte van ten minste n el, met zand of turfmul te bestrooijen.

ART. 2.

De overtreding van eene der bepalingen van deze afdeeling, voor zoo ver daartegen niet is voorzien bij art. 471 nos 3 en 5 van het Wetboek van Strafregt, wordt gestraft met eene geldboete van twee gulden.

AFDEELING II.

Van de openbare reinheid.

ART. 1.

Het is verboden :
a. op de openbare straten, voetpaden, pleinen of wandelingen water uit gootstenen, pompen, beestenstallen, mestvaalten en dergelijke te laten loopen, eenig vuilnis te werpen of die te ontreinigen, onverminderd het bepaalde bij art. 471 no. 6 van het Wetboek van Strafregt;
b. tegen muren en omheiningen van kerken of openbare gebouwen te wateren of op de openbare straten, voetpaden, pleinen of wandelingen aan zijne natuurlijke behoefte te voldoen;
c. zonder vergunning van Burgemeester en Wethouders secreten te plaatsen langs openbare straten, voetpaden, pleinen of wandelingen;
d. bloed, ingewanden van dieren, vuilnis van pensen, krengen of dergelijke in de binnenwateren, slooten of grachten te werpen of daarin zonder vergunning van Burgemeester en Wethouders te reinigen;
e. zeepsop, garen-, schotel- of ander vuil water, voor zoo ver daartegen niet is voorzien bij art. 471 no. 6 van het Wetboek van Strafregt, voor de gebouwen uit te gieten of te werpen buiten de goten of rioolen;
f. zonder vergunning van Burgemeester en Wethouders mest, ingewanden van dieren of ander vuilnis te plaatsen in eenig gedeelte van de kom der gemeente, buiten de gevallen voorzien bij art. 3 van het Koninklijk besluit van den 31 Januarij 1824 (Staatsblad no. 19);
g. langs de openbare straten, voetpaden, pleinen of wandelingen, in de kom der gemeente, huiden in water te leggen.

ART. 2.

De overtreding van eene der bepalingen van de letters a, b, c en g, voor zoo ver daartegen niet is voorzien bij art. 471 no. 5 van het Wetboek van Strafregt, en letters d, e en f dezer afdeeling, wordt gestraft met eene geldboete van twee gulden.

AFDEELING III.

Van de openbare orde en veiligheid.

ART. 1.

Het is verboden :
1o. Zonder vergunning van Burgemeester en Wethouders, behoudens de volgende voorschriften dezer afdeeling, eenig voorwerp in, op, aan of over eigendommen, tot de openbare dienst bestemd, te planten, te plaatsen, vast te hechten of te bouwen.
2o. Zonder vergunning van Burgemeester en Wethouders :
a. op de openbare straten, voetpaden, pleinen of wandelingen, getimmerten, palen, turf of brandstoffen, strooisel, asch, aarde of mesthoopen, hout-, hooi- of stroomijten en dergelijke voorwerpen, te plaatsen, voor zoo ver daartegen niet is voorzien bij art. 471 no. 4 van het Wetboek van Strafregt; noch daarop of langs dezelve op een afstand van 5 ellen eenige gaten of kuilen te graven of te maken, zonder dezelve behoorlijk te omheinen;
b. aan de binnenzijden der openbare wegen en voetpaden grond af te steken of uit te graven;
c. aarde of zand daarvan af te graven of weg te voeren;
d. daarin greppels of gaten te maken, of daarop te vlooten of den grond om te zetten, onverminderd de verpligting tot nakoming van het bepaalde bij art. 471 no. 4 van het Wetboek van Strafregt, omtrent het doen branden van licht;
3o. zonder vergunning van Burgemeester en Wethouders langs de openbare straten, voetpaden, pleinen of wandelingen boomen te planten of de rigting te veranderen, daartoe door hen aangewezen;
4o. sneeuw of andere voorwerpen, zonder de voorbijgangers te waarschuwen, van de daken te werpen, voor zoo ver daartegen niet is voorzien bij art. 471 no. 6 van het Wetboek van Strafregt;
5o. bij vriezend weder de straten te schrobben of daarop water te werpen of te laten loopen;
6o. te spelen op de openbare straten, voetpaden, pleinen of wandelingen met ballen, pinkers of voorwerpen, waardoor nadeel of hinder aan de gebouwen of voorbijgangers kan worden toegebragt;
7o. zonder schriftelijke vergunning van den Burgemeester :
a. bekendmakingen in het openbaar om te roepen of aan te plakken;
b. op of langs de openbare straten, voetpaden, pleinen of wandelingen uit te oefenen het bedrijf van muziekant of liedjeszanger of storend muziek te maken of te zingen, te gochelen of openbare vertooningen te geven, vliegers op te laten of hinderlijke bedrijven te verrigten;
c. het houden van verlootingen of het toelaten daarvan in zijne huizinge, van welke voorwerpen ook, beneden eene waarde van honderd gulden;
8o. onverminderd de bepalingen van art. 475 no.5 van het Wetboek van Strafregt, op de openbare straten, voetpaden, pleinen of wandelingen met- of om geld of geldswaarde of met dobbelsteenen of eenig ander op kans berekend spel te spelen;
9o. met paarden in den kom der gemeente te harddraven;
10o. over de openbare voetpaden met rijtuigen, paarden of lastdieren te rijden of daarover met eenig vee te drijven of te leiden;
11o. langs de openbare straten, binnen den afstand van 15 ellen, zeilen, netten, linnen, wollen of andere stoffen op te hangen, zonder vergunning van Burgemeester en Wethouders;
12o. binnen den afstand van 15 ellen langs de openbare straten, voetpaden, pleinen of wandelingen korven met bijen te plaatsen of vlas of hennip te laten rotten of gerot zijnde uit te spreiden;
13o. te zwemmen of te baden op zigtbare plaatsen binnen den afstand van 300 ellen van de openbare straten, voetpaden, pleinen, wandelingen of woningen;
14o. paarden of ander vee te jagen of op eenige wijs opzettelijk te verontrusten;
15o. zonder vergunning van Burgemeester en Wethouders paarden, lastdieren of vee op openbare plaatsen vast te maken aan huizen, stoepen, bruggen, boomen of dergelijke;
16o. te werpen met sneeuwballen, vuilnis, steenen of andere harde ligchamen, voor zoo ver daartegen niet is voorzien bij art. 475 no. 8 van het Wetboek van Strafregt;
17o. straatschenderij en baldadigheid te plegen door : het werpen of spuiten met water, het blazen of schieten met erwten of andere voorwerpen op personen, dieren of goederen; het blazen op holle stokken, hoornen of met dergelijk gerugtmakende voorwerpen; mitsgaders het maken van buitengewoon geraas of geschreeuw langs de openbare straten, voetpaden, pleinen of wandelingen, voor zoo ver daartegen niet is voorzien bij art. 479 no. 8 van het Wetboek van Strafregt; het klimmen op of hangen aan voer- of rijtuigen; het scheltrekken of beldeur spelen; het stellen van onzedige woorden op voorwerpen aan openbare plaatsen uitkomende; het kladden, schrijven of krassen op eens anders gebouwen, muren, hekken, palen, heiningen, rijtuigen en dergelijke; het mishandelen en opzettelijk kwellen van dieren;
18o. zonder vergunning van Burgemeester en Wethouders gebruik te maken van de plaatsen, waar van wege de gemeente de gebruikelijke afkondigingen en aanplakkingen geschieden;
19o. de aangeplakte bekendmaking af te scheuren of onleesbaar te maken.

ART. 2.

De overtreding van eene der bepalingen van artikel 1 dezer afdeeling nos 2, 3, 5, 7, 11 en 12, voor zoo ver daartegen niet is voorzien bij art. 471 no. 5,-
no. 9, voor zoo ver daartegen niet is voorzien bij art. 575 no. 4,-
no. 10, voor zoo ver daartegen niet is voorzien bij art. 475 no. 3 van het Wetboek van Strafregt, - wordt gestraft met eene geldboete van twee gulden;
no. 4, 15 en 16 met eene geldboete van n gulden;
nos. 6, voor zoo ver daartegen niet is voorzien bij art. 471 no. 5, van het Wetboek van Strafregt, - 10, 13, 14, 17, 18 en 19 met eene geldboete van
twee gulden.
Ingeval van overtreding van eene der bepalingen onder nos. 6, 8 en 17 worden de voorwerpen des misdrijfs en de werktuigen, waarmede de overtreding wordt begaan, in beslag genomen en door den Regter verbeurd verklaard.

AFDEELING IV.

Van bouwen en sloopen.

ART. 1.

De gebouwen in den kom der gemeente, die langs de openbare straat worden daargesteld, mogen niet vooruitspringen op de rigting, in welke de naast aangrenzende gebouwen zijn geplaatst.
Van het voornemen tot daarstelling van een gebouw geschiedt voorafgaande aangifte ter gemeente-secretarie.

ART. 2.

Burgemeester en Wethouders doen, binnen acht dagen na die aangifte, aanwijzing van de rigting in welke moet worden gebouwd.
De aangifte en aanwijzing geschiedt niet, wanneer het betreft een gebouw, dat op een verderen afstand van de straat dan de aan weerszijde naast aangrenzende gebouwen wordt daargesteld.

ART. 3.

Bij het sloopen of aanleggen van gebouwen langs openbare plaatsen, kunnen Burgemeester en Wethouders de behoorlijke afsluiting van de opene plaats bevelen.

ART. 4.

Ieder eigenaar is verpligt te zorgen, dat zijne gebouwen aan de zijde der openbare plaatsen tot wering van ongelukken, in goeden staat worden onderhouden.

ART. 5.

Bestaat vermoeden, dat eenig gebouw zal instorten of omvallen, doen Burgemeester en Wethouders den staat daarvan opnemen door drie deskundigen, die van hunne bevinding een schriftelijk verslag opmaken, en daarin, zoo noodig, de maatregelen voordragen, die tot afwering van gevaar gevorderd worden.

ART. 6.

Wordt voorziening noodig geacht, stellen Burgemeester en Wethouders de maatregelen vast, en bepalen den tijd, binnen welken zij moeten worden ten uitvoer gelegd.

ART. 7.

Het besluit van Burgemeester en Wethouders met het verslag der opneming wordt, ingevolge art. 471 no. 5 van het Wetboek van Strafregt, aan den eigenaar of, zoo deze niet in de gemeente woont, aan den beheerder of gebruiker medegedeeld, met last om daaraan te voldoen.

ART. 8.

Indien binnen den bepaalden tijd aan den last niet is voldaan, geschiedt het uit kracht van art. 180 der gemeente-wet door Burgemeester en Wethouders.

ART. 9.

De overtreding van eene der bepalingen van de artts. 1, 3, 4, 7 en 8 dezer afdeeling wordt gestraft, voor zoo ver daartegen niet is voorzien bij art. 471 no. 5 en 479 no. 4 van het Wetboek van Strafregt, met eene geldboete van tien gulden.

AFDEELING V.

Van voorpootingen en het rooten van vlas.

ART. 1.

Voor zoo verre van het innemen der voorhoofden of voorpootingen bij het in werking treeden dezer verordening, nog geen gebruik zal zijn gemaakt, zal het niemand meer geoorloofd wezen, eenige voorpooting te bepooten of te beplanten, veel minder in te graven, op welke wijze dit ook wezen moge.

ART. 2.

Desgelijks is het verboden, in de rivieren vlas te rooten, of daarin iets te plaatsen, waardoor de doortogt des waters belemmerd wordt.

ART. 3.

De overtreding van eene der bepalingen dezer afdeeling, wordt gestraft met eene geldboete van 10,- en zal onverminderd de geldboete, bij weigering tot ruiming, art. 180 der gemeente-wet worden toegepast.

HOOFDSTUK VI.

Van het binnentreden van de woningen
der ingezetenen, huns ondanks.

ART. 1.

De bevoegdheid tot het binnentreden van de woningen der ingezetenen, huns ondanks, wordt toegekend, voor zoo verre dit niet alreeds is geschiedt, alnog voor de navolgende gevallen :
a. ten allen tijde aan Burgemeester en Wethouders en de ambtenaren van politie tot ontdekking van overtreding tegen art. 2, Hoofdstuk I, betreffende besmettelijke ziekten;
b. ten allen tijde aan de ambtenaren van politie in het geval van art. 3, Hoofdstuk IV, Afdeeling II, ten einde drenkelingen in de woning te doen opnemen;
c. tusschen zons op- en ondergang aan de deskundigen, aangeduid bij art. 5, Hoofdstuk V, Afdeeling IV, ten einde den staat op te nemen der gebouwen enz., in dat art. vermeld;
d. aan de personen, die, bij toepassing van art. 180 der gemeente-wet, door Burgemeester en Wethouders met de uitvoering zijn belast;
e. tusschen zons op- en ondergang in de gevallen van art. 8, Hoofdstuk V, Afdeeling IV, ten aanzien van instorting dreigende gebouwen enz.

ART. 2.

De ambtenaren en personen in dit Hoofdstuk genoemd, wanneer zij gebruik maken van de hun toegekende bevoegdheid tot het binnen treden van de woningen der ingezetenen, huns ondanks, gedragen zich stiptelijk naar de voorschriften der Wet van den 31 Augustus 1853 (Staatsblad no. 83).

HOOFDSTUK VII.

Algemeene bepalingen.

ART. 1.

De bedreigde boeten en straffen worden toegepast, voor zoo ver tegen overtreding bij geene wet, algemeenen maatregel van bestuur of provinciale verordening is voorzien.

ART. 2.

De bepalingen omtrent verpligtingen den ingezetenen bij andere wetten opgelegd, moeten worden aangemerkt alleen daaraan te herinneren.

Aldus vastgesteld door den Raad der gemeente Valkenswaard; in zijne openbare Vergadering gehouden te Valkenswaard, den 16 Juny 1856.

(Geteekend) F. Smulders

Loco Secretaris

(Geteekend) B. Hertroys


naar boven

  copyright sHGV                                                                               last update: 18-08-2008