Wetboek Napoleon 1809

WETBOEK NAPOLEON

INGERIGT VOOR HET

KONINGRIJK HOLLAND

 

Ter KONINKLIJKE STAATSDRUKKERIJ,

1809.

LODEWIJK NAPOLEON, door de

Gratie Gods en de Constitutie des Koning-

rijks, KONING van HOLLAND,

Connťtable van Frankrijk.

 

Het Wetgevend Ligchaam goedgekeurd hebbende de voordragt, door Ons daartoe gedaan,

Hebben Wij besloten en besluiten:

Wordt gearresteerd het Wetboek Napoleon, ingerigt voor het Koningrijk Holland, hierna volgende:

WETBOEK NAPOLEON,

INGERIGT VOOR HET

KONINGRIJK HOLLAND

 

INLEIDING

VAN DE BEKENDMAKING, DE UITWERKSELEN

EN DE TOEPASSING DER WETTEN IN HET

ALGEMEEN

Art. 1.
De wetten hebben hare werking over het geheele grondgebied van Holland,uit krachte der afkondiging van dezelve, door den Koning gedaan:
Zij werken terstond nadat derzelver afkondiging, in ieder gedeelte van het rijk, bekend zal kunnen zijn.
Deze afkondiging zal gehouden worden bekend te zijn, in de stad, waarin de koninklijke residentie gevestigd is, ťťn dag, en in de overige gedeelten van het departement der residentie twee dagen na den dag der afkondiging, en in ieder der overige departementen na verloop van denzelfden termijn, met bijvoeging van zoo vele dagen, als de plaats, waar de afkondiging zal geschied zijn, van de hoofdplaats van ieder departement verwijderd is, twaalf uren gaans te houden voor ťťnen dag, en de overschietende uren voor eenen geheelen dag.

Art. 2.
De wetten verbinden alleen voor het toekomende, en hebben geene terugwerkende kracht.

Art. 3.
De wetten van politie en zekerheid zijn verbindende voor allen, die hun verblijf op het grondgebied van Holland houden.
Onroerende goederen van vreemdelingen, zoo wel als van ingezetenen, zijn onderworpen aan de wetten van dit rijk.
De wetten, betreffende den staat en betrekking van personen, zijn toepasselijk op alle Hollanders, ook wanneer zij zich buiten ís lands bevinden.

Art. 4.
De regter, die weigert regt te spreken, onder voorwendsel dat de wet duister of onvolledig is, of wel dat dezelve geheel stilzwijgt, is schuldig aan regtsweigering, en deswegens aansprakelijk.

Art. 5.
Wanneer eenig geval voorkomt, het welk bij de wet niet bepaald is, noch, door de toepassing van de regelen eener gezonde uitlegkunde, volgens de wet kan worden uitgemaakt, moet in de beslissing van hetzelve gevolgd worden het geen met de billijkheid, en de analogie van het vastgesteld regt, in gelijksoortige gevallen, zal bevonden worden meest overeenkomstig te zijn.

Art. 6.
Geen regter vermag, bij wege van algemeene dispositie of reglement, uitspraak te doen in zaken, die aan zijne beslissing onderworpen zijn.

Art. 7.
Alle bedingen of overeenkomsten, welke strijdig zijn met de bepalingen der wetten, die op de publieke orde of goede zeden betrekking hebben, zijn krachteloos.

 

EERSTE BOEK

VAN DE PERSOONLIJKE REGTEN

 

EERSTE TITEL

VAN HET GENOT EN VAN HET VERLIES DER

BURGERLIJKE REGTEN

EERSTE HOOFDSTUK

VAN HET GENOT DER BURGERLIJKE REGTEN

Art. 8.
Alle Hollanders hebben aanspraak op het genot der burgerlijke regten.

Art. 9.
Een iegelijk, in Holland uit vreemden geboren, wordt als Hollander gerekend, wanneer hij, bij zijne meerderjarigheid, zijn domicilie of woonstede in Holland gevestigd houdt, of wanneer hij, zich in een ander land ophoudende, zijne vaste woonplaats in Holland, binnen het jaar na zijne meerderjarigheid overbrengt.

Art. 10.
Kinderen, uit Hollandsche ouders in een vreemd land geboren, zijn Hollanders. Kinderen, in een vreemd land geboren uit een Hollander, die zijne betrekking als zoodanig verloren heeft, worden als Hollanders aangemerkt, wanneer zij aan het bepaalde bij artikel 9 voldoen.

Art. 11.
Vreemdelingen genieten in Holland dezelfde burgerlijke regten, welke toegestaan zijn of zullen worden aan Hollanders, in die landen, waartoe die vreemdelingen behooren.

Art. 12.
Eene vreemde vrouw, met een Hollander getrouwd zijnde, volgt de burgerlijke betrekking van haren man.

Art. 13.
Een vreemdeling, door den Koning geadmitteerd om in Holland zijn domicilie te vestigen, heeft het volle genot van alle burgerlijke regten, zoo lang hij zijn domicilie aldaar blijft houden.

TWEEDE HOOFDSTUK

VAN HET VERLIES DER BURGERLIJKE REGTEN.

Art. 14.
De regten van Hollander worden verloren:

  1. Door naturalisatie in een ander land;
  2. Door het aannemen van eenige publieke functie of pensioen, opgedragen of toegestaan door het gouvernement van een ander land, zonder tot die aanneming door den Koning geautoriseerd te zijn; en
  3. Door dit land te verlaten, en zich in een ander land nedertezetten, met blijkbaar voornemen om zijn bestendig verblijf buiten ís lands te houden.

Art. 15.
Iemand, zijne betrekking als Hollander verloren hebbende, kan dezelve ten allen tijde weder verkrijgen, indien hij, na bekomen admissie van den Koning, in Holland weder terug komt, aldaar zijn vast domicilie vestigt, en bij het gemeente-bestuur zijner verkozen woonplaats eene verklaring aflegt, van zich te onderwerpen aan de wetten van dit rijk; afstand doende van alles wat daarmede strijdig is.

Art. 16.
Eene Hollandsche vrouw, met een vreemdeling in het huwelijk tredende, volgt den staat van haren man; indien zij weduwe wordt, krijgt zij de betrekking als Hollandsche terug, mits zij haar vast verblijf in Holland houdt, of daarin, binnen een jaar na het overlijden van haren man, terug keert, en haar domicilie vestigt.

Art. 17.
Het terug bekomen van den staat van Hollander heeft geene achteruitwerkende kracht; het geeft aan niemand vroegere voordeelen, dan die, welke voorspruiten uit regten, aan hem sedert dat tijdstip opgekomen.

Art. 18.
Een Hollander, zonder autorisatie van den Koning, bij eene vreemde mogendheid militairen dienst genomen hebbende, of lid geworden zijnde van een vreemd militair genootschap, verliest daardoor zijne betrekking als Hollander.
Hij zal in Holland niet kunnen terug komen, dan met toestemming des Konings, noch zijne betrekking als Hollander wederkrijgen, dan alleen op dezelfde voorwaarde, waarop een vreemdeling den burgerlijke staat als Hollander bekomen kan, en behoudens het verder bepaalde in artikel 15.

TWEEDE TITEL

VAN DE BESCHEIDEN OF ACTEN VAN DEN

BURGERLIJKEN STAAT

Art. 19.
Van de geboorten, huwelijken en sterfgevallen zullen acten worden opgemaakt, en openbare registers worden gehouden.

Art. 20.
Te dien einde zal van iedere geboorte en sterfgeval, binnen dit rijk voorvallende, als mede van iedere geboorte uit een Hollandsche vader of moeder, en van ieder sterfgeval van een Hollander, buiten het rijk voorvallende, aangifte moeten worden gedaan.
De ondertrouw en bevestiging der huwelijken, zoo als die bij den titel van het huwelijk bepaald is, wordt voor de aangifte derzelve gerekend.

Art. 21.
Bijzondere reglementen bepalen voorts de wijs en den voet der aangiften, den tijd, wanneer, de plaats, waar, en de personen, door welke dezelve moeten geschieden, de penaliteiten tegen de nalatigen, als mede de vorm en inrigting der acten en registers, bij de vorige artikelen vermeld.

DERDE TITEL

VAN DOMICILIE OF WOONSTEDE

Art. 22
Ieder Hollander wordt, en aanzien der uitoefening zijner burgerlijke regten, geacht zijn domicilie of woonstede te hebben op die plaats, waar hij zijn voornaam verblijf gevestigd heeft.

Art. 23.
Iemand kan echter op twee of meerdere plaatsen domicilie houden, doch niet anders dan met betrekking tot zekere door hem uitdrukkelijk bepaalde zaken, welke hij op zoodanige plaats of plaatsen uitstaande heeft.

Art. 24.
Hij moet ook, in zulke gevallen, op zoodanige plaats of plaatsen, tot dat einde, uitdrukkelijk domicilie kiezen.

Art. 25.
Een domicilie betrekkelijk eene bepaalde zaak, op zekere plaats gekozen, heeft ten gevolge, dat alle dagvaardingen en exploicten, aan dat domicilie gedaan, mits tot die zaak betrekking hebbende, van die kracht gehouden worden, als of zij aan het gewoon domicilie gedaan waren.

Art. 26.
Het verblijf, voor een tijd of saizoen, op een buitengoed, wordt voor geen domicilie gehouden.

Art. 27.
Iemand zich, ter zake van eene publieke, tijdelijke of herroepelijke functie, op eene plaats ophoudende, behoudt zijn vorig domicilie, ten zij duidelijk bleek, dat hij zijn tegenwoordig verblijf tot zijne vaste woonplaats verkozen had.

Art. 28
Eene grtrouwde vrouw heeft geen ander domicilie, dan dat van haren man.
Een minderjarige, onder de magt van ouders of voogden, volgt het domicilie van zijn vader en moeder of voogden.
Een meerderjarige, die zijn persoon verloren heeft, volgt het domicilie van zijn curator. Ingevalle er meer dan ťťn voogden of curators zijn, wordt het domicilie van den eerstbenoemden gevolgd.

Art. 29.
Meerderjarige dienstboden, die met hun heer of vrouw onder hetzelfde dak wonen, volgen het domicilie van hun heer of vrouw.

Art. 30.
Het staat aan ieder vrij van domicilie te veranderen. Deze verandering van domicilie geschiedt door verhuizing van de eene plaats naar de andere, met oogmerk om zijn verblijf aldaar voornamelijk te vestigen.

Art. 31.
Het bewijs van het oogmerk, in het vorig artikel vermeld, wordt opgemaakt uit de omstandigheden.

VIERDE TITEL

VAN AFWEZENDEN

Art. 32.
Iemand zijne woonplaats verlaten hebbende, zonder orde op de waarneming zijner zaken te stellen, trekt de regter zich de zorg voor de belangen van dien afwezenden aan, door het aanstellen van een curator over deszelfs onbeheerden boedel.

Art. 33.
Het verlaten door iemand van zijne woonplaats, zonder orde op de waarneming zijner zaken gesteld te hebben, wordt opgemaakt uit omstandigheden en daadzaken, waarvan notoirlijk, of door bescheiden en getuigenissen, is blijkende.

Art. 34.
Een afwezende wordt vermoed dood te zijn, wanneer, gedurende het verloop van twintig jaren, geene tijding nopens zijn dood of leven is ingekomen.

Art. 35.
Deze jaren verloopen zijnde, zijn de vermoedelijke erfgenamen van den afwezenden, mitsgaders de legataristen en fideÔ-commissaire of andere verwachters, en wel dezulken, die met het uiteinde van deze twintig jaren als zoodanig bevonden worden, bevoegd om afgifte van den boedel en goederen te vorderen; welke de regter, na onderzoek, of nopens het verblijf van den afwezenden nog iets te ontdekken zij, aan hen toelaat, mits borgen, of andere zekerheid, ten genoegen van den regter, stellende, voor de wederoplevering, ingeval de afwezende bij vervolg nog mogt te voorschijn komen.

Art. 36.
Deze borgtogt of zekerheid duurt zoo lang, tot dat de afwezende, zoo hij nog leven mogt, den ouderdom van vijf- en- zeventig jaren bereikt zoude hebben.

Art. 37.
Wanneer de afwezende, het zij vůůr of na dien tijd, terug komt, of zijne aanwezigheid blijkbaar wordt, bekomt hij den boedel en goederen terug in den staat, waarin dezelve zich bevinden, of wel de prijzen van het verkochte, of de goederen in welke de ontvangen kooppenningen belegd zijn.

Art. 38.
Wanneer daarentegen het overlijden van den afwezenden, en het tijdstip daar van, kennelijk wordt, kan deze restitutie gevorderd worden door die genen, welke op dat tijdstip de meest geregtigden worden bevonden.

Art. 39.
De vermoedelijke erfgenamen buiten staat zijnde om borgen of zekerheid te stellen, blijft of wordt de boedel onder curatele gesteld; doch de vruchten, die daarvan afkomen, worden hun jaarlijks uitgekeerd zonder borgtogt.

VIJFDE TITEL

VAN HET HUWELIJK

EERSTE HOOFDSTUK

VAN TROUWBELOFTEN

Art. 40.
Allen, die zich kunnen verbinden, en met elkander mogen trouwen, kunnen trouwbeloften aangaan.

Art. 41.
Deze verbindtenis moet duidelijk, onbewimpeld, vrij en ongedwongen zijn, en voorts alle die vereischten hebben, welke noodig zijn, om aan toezeggingen eene verbindende kracht te geven.

Art. 42.
Minderjarigen hebben daartoe noodig de goedkeuring van hen, zonder welker toestemming zij geen huwelijk kunnen aangaan.

Art. 43.
Er mag geen regt worden gedaan dan op trouwbeloften, die van weÍrskanten erkend zijn, of door schriftelijk bescheid bewezen worden, zonder dat eene delatie of deeling van eede in dit stuk wordt toegelaten.

Art. 44.
Het wederzijdsche verzoek om in ondertrouw te worden aangenomen, wordt voor eene verbindende trouwbelofte gehouden, zonder dat daartoe eenig verder bewijs noodig is.

Art. 45.
Trouwbeloften kunnen aangegaan worden, of zonder tijdsbepaling, of op tijd, mits niet langer dan op twee jaren.

Art. 46.
Zij kunnen ook worden aangegaan onder conditiŽn of voorwaarden, mits dezelve mogelijk, geoorloofd en betamelijk zijn, overeenkomstig de bepalingen, hierna ten aanzien der verbindtenissen voorgeschreven.

Art. 47.
De kracht van wettig aangegane trouwbeloften is, dat de een den anderen tot derzelver vervulling kan noodzaken, of terstond, indien zij zuiver zijn aangegaan, of wanneer de bijgevoegde tijd of voorwaarde verschenen of vervuld is, indien de verbindtenis zulks medebrengt.

Art. 48.
Trouwbeloften zijn nietig:

  1. Wanneer minderjarigen dezelve hebben aangegaan zonder toestemming van hen, wier goedkeuring zij tot het huwelijk noodig hebben; die toestemming echter, naderhand gevolgd zijnde, maakt de trouwbelofte bestaanbaar;
  2. Trouwbeloften zijn nietig, wanneer dezelve door een getrouwd man of vrouw, staande huwelijk, zijn aangegaan; en
  3. Wanneer zij door vreeze, bedrog of merkelijke dwaling zijn aangegaan.

Art. 49.
Iemand zich door trouwbeloften aan twee of meer personen hebbende verbonden, zijn alleen de eerste wettig en de latere nietig, onverminderd de actie tot schadevergoeding aan den geen, die door de trouwbeloften misleid is.

Art. 50.
Wanneer op de latere trouwbeloften de voltrekking van het huwelijk gevolgd is, zonder dat de eerstverbondene daartegen is opgekomen, verliezen alle andere trouwbeloften daardoor hare kracht.

Art. 51.
Trouwbeloften vervallen:

  1. Door den dood van ťťn van de beide verloofde personen;
  2. Wanneer of beiden, of een van beiden, na de belofte, door een ligchamelijk gebrek ter voortteling onbekwaam wordt;
  3. Wanneer meerderjarigen trouwbeloften zonder der ouderen toestemming hebben aangegaan, en de reden van afkeuring, door de ouders ingebragt zijnde, bij den regter wordt goedgekeurd;
  4. Wanneer de voorwaarde, onder welke de trouwbeloften zijn aangegaan, niet vervuld wordt; en
  5. Door wederzijdsche toestemming ter vernietiging der trouwbeloften.

Art. 52.
Nadat echter de verloofde personen in ondertrouw zijn aangenomen, kan zulk eene vernietiging niet geschieden, dan bij openlijke verklaring, ten overstaan van den geen, bij wien de aanneming in ondertrouw gedaan is.

Art. 53.
Trouwbeloften kunnen ook door een van beide de verloofden, tegen wil en dank van den anderen, herroepen, en daardoor verbroken worden, om alle zoodanige redenen, welke de regter oordeelt, niet uit wispelturigheid voorttespruiten, maar gewigtig genoeg zijn, om een van beiden van de vervulling der trouwbeloften te ontheffen.

Art. 54.
Geschenken tusschen verloofden worden gerekend, op hoop van het voorgenomen huwelijk te zijn gedaan.

Art. 55.
Zoodra de trouwbeloften vervallen, kunnen de geschenken wederzijds worden terug geŽischt.

Art. 56.
Doch die door schuld oorzaak is, dat de trouwbeloften vervallen, heeft geen regt om de geschenken terug te vorderen.

TWEEDE HOOFDSTUK

VAN HUWELIJKSVOORWAARDEN

Art. 57.
Allen, die een huwelijk mogen aangaan, kunnen ook huwelijksvoorwaarden maken.

Art. 58.
Minderjarigen, of die onder curatele staan, hebben daartoe de toestemming en adsistentie van hunne ouders, voogden of curateuren noodig.

Art. 59.
Geene huwelijksvoorwaarden worden voor wettig gehouden, dan die, welke vůůr de voltrekking van het huwelijk, geregtelijk of voor notaris en getuigen, gemaakt zijn.

Art. 60.
Ook zijn alleen van kracht die bepalingen, welke in de huwelijksvoorwaarden uitdrukkelijk gemeld zijn, zonder dat men daarbij naar andere geschriften of aanteekeningen verwijzen mag.

Art. 61.
De inventarissen van aangebragte en buiten gemeenschap gehoudene goederen worden, of in de huwelijksvoorwaarden ingelascht, of naderhand afzonderlijk, en zelfs onder de hand, gemaakt.

Art. 62.
Het maken der inventarissen verzuimd zijnde, vervallen daardoor wel niet de bedingen, bij huwelijksvoorwaarden gemaakt, maar moet de aanbrenging der goederen door andere bewijzen worden aangetoond.

Art. 63.
Bij huwelijksvoorwaarden kan men alle zoodanige bedingen maken, als men goed vindt, mits zij noch met de wetten, noch met den aard des huwelijks strijdig zijn.

Art. 64.
De gemeenschap van goederen, gelijk ook die van winst en verlies, mogen bij huwelijksvoorwaarden zoo wel ingeroepen en bevestigd, als uitgesloten worden.

Art. 65.
Al wat bij huwelijksvoorwaarden uit de gemeenschap niet is uitgesloten, blijft in de gemeenschap.

Art. 66.
De gemeenschap van goederen enkel zijnde uitgesloten, blijft de gemeenschap van winst en verlies.

Art. 67.
De gemeenschap van winst en verlies, uitdrukkelijk zijnde bedongen, sluit de gemeenschap van goederen uit.

Art. 68.
Beiden uitdrukkelijk zijnde uitgesloten, blijft echter de gemeenschap van de vruchten, baten en inkomsten der aangebragte en naderhand opgekomene goederen.

Art. 69.
Men kan deze laatstgemelde gemeenschap bij beding inkorten, door te bepalen, hoe veel elk der echtgenooten, uit zijne eigene inkomsten, in de algemeene huishouding zal inbrengen, of dat de kosten der huishouding, en alle de lasten van het huwelijk, uit de goederen van een van beiden, zullen worden gedragen.

Art. 70.
Bij de huwelijksvoorwaarden kan men ook bedingen, dat de gemeenschap van goederen alleen gedeeltelijk zal plaats hebben; men kan dus bepalen, dat eenige van de aangebragte goederen of gelden buiten de gemeenschap zullen blijven, of dat opkomende erfenissen en legaten niet in de gemeenschap zullen vervallen.

Art. 71.
De bepaling, dat de geheele winst alleen voor den eenen, en alle verlies voor den anderen zal zijn, is nietig.

Art. 72.
Eene vrouw kan echter wel bedingen, dat zij een gedeelte van de winst, mits de helft niet te bovengaande, zal genieten, zonder in eenig verlies gehouden te zijn.

Art. 73.
Eene vrouw mag ook bedingen, zoo voor zich zelve als voor hare kinderen en andere erfgenamen, dat zij, bij scheiding des huwelijks, zal hebben de keus, of zij in de winst en verlies, staande huwelijk gevallen, zal willen deelen, dan of zij begeert hare aangebragte en staande huwelijk verkregene goederen weder naar zich te nemen, zonder in de winst te deelen of in het verlies gehouden te zijn.

Art. 74.
De gemeenschap van goederen en van winst en verlies uitgesloten zijnde, mag de vrouw bedingen, dat zij hare eigene goederen zal beheeren en bestieren, zonder daarin eenige adsistentie van haren man noodig te hebben.

Art. 75.
De aanstaande echtgenooten kunnen, bij huwelijksvoorwaarden, beschikkingen over hunne wederzijdsche goederen na den dood maken, welke, ten aanzien van derzelver kracht en gevolgen, gelijk staan met beschikkingen, bij uitersten wil gemaakt.

Art. 76.
De eene echtgenoot mag van den anderen eene douarie bedingen.

Art. 77.
DouariŽn kunnen niet strekken tot vermindering der legitime portiŽn, aan kinderen of ouders, noch van kindsgedeelten aan voorkinderen, wegens de wet, toekomende.

Art. 78.
Zij moeten insgelijks aan de voldoening der schulden van den overledenen echtgenoot achterstaan.

Art. 79.
De douariŽn hebben echter den voorrang boven alle erfstellingen en makingen bij testament.

Art. 80.
Geen douarie gaat te niet door het legateren van gelijke of grootere waarde, zonder dat de douarie daarbij uitdrukkelijk is herroepen.

Art. 81.
Zij wordt ook niet krachteloos door zoodanige benoeming van den langstlevenden tot erfgenaam, waarbij dezelve tevens belast is, om de goederen, bij zijn of haar overlijden, of eerder, aan anderen uittekeeren.

Art. 82.
De douarie echter vervalt, en blijft ten voordeele van den gemeenen boedel, wanneer de langstlevende zuiver tot erfgenaam is gesteld, of wel onder voorwaarde, dat het geen van den boedel, op deszelfs overlijden, bevonden zal worden onverteerd en onvervreemd overteschieten, als een gemeene boedel tusschen wederzijdsche erfgenamen zal verdeeld worden, en de langstlevende, in het laatste geval, den boedel onder die voorwaarde heeft aanvaard.

Art. 83.
Ouders, bloedvrienden, en zelfs vreemden kunnen zich bij de huwelijksvoorwaarden voegen, en zich daarbij, tot het geven van ene huwelijksgift, of het doen van eenige bijdragen tot onderstand des huwelijks, verbinden.

Art. 84.
Ouders kunnen bij de huwelijksvoorwaarden afstand doen van de legitime portie, welke hun, bij kinderloos overlijden van een der echtgenooten, zoude toekomen.

Art. 85.
Huwelijksvoorwaarden worden krachteloos, wanneer het huwelijk, waartoe zij betrekkelijk zijn, door den dood van een der verloofden, of uit andere oorzaken, niet voltrokken wordt.

Art. 86.
De huwelijksvoorwaarden kunnen, vůůr de voltrekking van het huwelijk, met wederzijdsche toestemming der aanstaande echtgenooten, en van de genen wier goedkeuring tot het huwelijk vereischt wordt, herroepen worden, en kan in sommige daarbij gemaakte bepalingen verandering worden gemaakt; des dat die latere overeenkomst mede geregtelijk of notariaal zal moeten verleden worden.

Art. 87.
Na de voltrekking van het huwelijk, kunnen de huwelijksvoorwaarden bij overeenkomst op geenerhande wijze herroepen of vernietigd worden.

Art. 88.
Eene vrouw mag echter, ten voordeele van haar mans schuldeischers, afstand doen van het regt op hare ten huwelijk aangebragte en staande huwelijk verkregene goederen, als mede van het regt van legaal hypotheek, aan haar, uit krachte der huwelijksvoorwaarden, toekomende.

Art. 89.
Bij testament mag elk der echtgenooten, voor zoo veel hem of haar betreft, de bedingen, rakende de erfvolging na den dood, bij huwelijksvoorwaarden gemaakt, herroepen en vernietigen.

Art. 90.
De echtgenooten mogen ook, ieder bij zijn te maken testament, de uitgeslotene gemeenschap van goederen, of van winst en verlies weder inroepen.

Art. 91.
Deze inroeping van gemeenschap is echter niet eerder van kracht en waarde, dan wanneer dezelve door ťťn der echtgenooten met den dood bekrachtigd wordt; doch heeft in dat geval dezelfde kracht en gevolgen, als of zij van het begin des huwelijks had stand gegrepen.

Art. 92.
Wanneer de herroeping alleen gedeeltelijk of bepaaldelijk geschied is, blijft het overige in volle kracht.

Art. 93.
Geene huwelijksvoorwaarden zijn tegen schuldeischers of andere derden van eenige kracht, ten ware dezelve zijn geregistreerd.

Art. 94.
De registratie, bij het vorig artikel vermeld, moet gedaan worden bij de autoriteit, daartoe door den Koning te benoemen, ter plaatse waar de aanstaande echtgenooten woonachtig zijn, of, zoo zij op verschillende plaatsen wonen, bij die van beider woonplaatsen.

Art. 95.
Dezelve moet gedaan worden in een register, waaruit een ieder, ten zijnen koste, een afschrift kan doen ligten.

Art. 96.
Men kan de huwelijksvoorwaarden geheel laten registreren, of wel alleen, bij wege van extract, die artikelen, welke men tegen derden wil doen werken; op die geregistreerde artikelen kan men zich dan ook alleen tegen derden beroepen, en op geene der ongeregistreerden.

Art. 97.
De registratie, vůůr de voltrekking van het huwelijk niet gedaan zijnde, kan daarna gedaan worden, maar werkt dan alleen tegen derden van den tijd dier registratie af.

Art. 98.
Vreemdelingen, zich met der woon in dit rijk nederzettende, zijn mede verpligt, deze registratie van hunne huwelijksvoorwaarden te laten doen, bij de voorsz. gestelde magt, ter hunner in dit rijk verkozene woonplaats.

DERDE HOOFDSTUK

VAN DE VEREISCHTEN DES HUWELIJKS

Art. 99.
Jongmans, onder de volle achttien, en jonge dochters, onder de volle vijftien jaren, mogen geen huwelijk aangaan.

Art. 100.
De Koning verleent nogtans dispensatie van het gestatueerde bij het voorgaand artikel, wanneer daarvoor zeer dringende en zwaarwigtige redenen aanwezig zijn.

Art. 101.
De wederzijdsche toestemming wordt tot het wezen van het huwelijk vereischt.

Art. 102.
Een man kan maar ťťne vrouw, en eene vrouw maar ťťnen man, te gelijker tijd, in huwelijk hebben.

Art. 103.
Personen, die elkander in de opgaande en nederdalende linie bestaan, het zij door wettige, het zij door onwettige geboorte, of ook door aanhuwelijken, mogen te zamen niet trouwen.

Art. 104.
In de zijdlinie is het huwelijk verboden, tusschen broeder en zuster van heelen of halven bedde, het zij door wettige, het zij door onwettige geboorte, het zij door aanhuwelijken, als zoodanig aan elkander bestaande.

Art. 105.
Oom en nicht, moei en neef, van heelen of halven bedde, het zij door wettige, het zij door onwettige geboorte, het zij door aanhuwelijken, als zoodanig aan elkanderen bestaande, mogen niet met elkander trouwen.

Art. 106.
De Koning verleent nogtans, daartoe redenen vindende, dispensatie van het gestatueerde bij de beide laatstvoorgaande artikelen, voor zoo verre daarbij echtverbindtenissen van nabestaanden bij aanhuwelijking verboden zijn.

Art. 107.
Personen, die met elkander in overspel geleefd hebben, mogen nimmer te zamen een huwelijk aangaan.

Art. 108.
Een voogd of curator, of iemand van des voogds of curators kinderen mag niet trouwen met den geen, die onder deszelfs voogdij of curatele staat, of gestaan heeft, ten zij vooraf door den voogd of curator, ten overstaan van den regter, rekening en verantwoording zal zijn gedaan.

Art. 109.
Kinderen, zoo wel meerderjarigen als minderjarigen, al is het dat dezelve reeds te voren getrouwd zijn geweest, kunnen, zoo lang hun vader en moeder, of een van beiden in leven zijn, zonder derzelver toestemming, geen huwelijk aangaan; in geval van verschil van gevoelens zal de toestemming van den vader genoegzaam zijn.

Art. 110.
Indien een der beide ouders overleden ware, of in de onmogelijkheid om zijnen wil te kennen te geven, zal de toestemming van den anderen genoegzaam zijn.

Art. 111.
De Koning verleent nogtans, daartoe redenen vindende, dispensatie van het gestatueerde bij artikel 109, ingevalle beide de ouders, of die van beiden, welke nog maar alleen in leven is, uitlandig, of door gebrek aan verstandelijke vermogens in de onmogelijkheid mogten zijn om hunnen wil te kennen te geven.

Art. 112.
Ouders, schoon wegens verkwisting, of om andere redenen, behalve zinneloosheid, onder curatele gesteld of gevangen, of geconfineerd zijnde, behouden hetzelfde regt, omtrent het geven hunner toestemming.

Art. 113.
Een onecht kind kan geen huwelijk aangaan, zonder toestemming van de moeder.

Art. 114.
De ouders kunnen aan hunne minderjarige kinderen hunne toestemming weigeren, zonder dat zij verpligt zijn daarvan eenige redenen te geven.

Art. 115.
Kinderen meerderjarig of geŽmancipeerd zijnde, mogen de ouders aan dezelve hunne toestemming niet weigeren, dan om wettige redenen, welke zij, daartoe opgeroepen zijnde, gehouden zijn te kennen te geven.

Art. 116.
Ouderlooze, minderjarige kinderen hebben tot het aangaan van een huwelijk de toestemming van hunnen voogd of voogdes noodig, voor zoo verre dezelve niet enkel met het beheer der goederen, maar ook met de persoonlijke opvoeding van de minderjarigen belast zijn.

Art. 117.
De voogden kunnen nooit volstaan met eene enkele weigering, zonder reden te geven, maar zijn in alle gevallen verpligt hunne redenen van afkeuring aan de daartoe bevoegde magt voortedragen.

Art. 118.
Ouderlooze, meerderjarige personen hebben, tot het aangaan van een huwelijk, niemands toestemming noodig, behalve van hunnen curator, indien zij om eenige reden onder curatele staan.

VIERDE HOOFDSTUK

VAN ONDERTROUW EN VOLTREKKING DES HUWELIJKS

Art. 119.
Allen, die zich door een huwelijk met elkander willen vereenigen, moeten zich vervoegen bij de plaatselijke autoriteit, welke daarmede nader door den Koning zal worden belast, ter plaatse waar beiden of ťťn van hen woonachtig zijn, en verzoeken in ondertrouw te worden aangenomen.

Art. 120.
Deze aanneming in ondertrouw zal hun worden toegestaan, mits zij doen blijken van de toestemming van de genen, wier goedkeuring, volgens de wet, tot hun huwelijk noodig is.

Art. 121.
Minderjarigen, ouders hebbende, en van derzelver toestemming niet doende blijken, worden afgewezen.

Art. 122.
Aan alle andere personen, die toestemming behoeven, doch van dezelve niet doen blijken, wordt wel de aanneming in ondertrouw niet dadelijk toegestaan, maar de daartoe gestelde autoriteit doet den persoon of de personen, wier toestemming de wet vereischt, voor zich ontbieden, om binnen acht dagen, indien zij in dezelfde plaats wonen, of binnen zoodanigen langeren tijd, als wegens de afgelegenheid hunner woonplaats gepast geoordeeld zal worden, hunne redenen van weigering, in persoon, of door een gemagtigden, of bij geschrift, in te brengen.

Art. 123.
Hieraan door de opgeroepene persoon of personen binnen den bepaalden tijd niet voldaan zijnde, wordt hun stilzwijgen gehouden voor eene toestemming.

Art. 124.
De opgeroepen persoon of personen binnen den bepaalden tijd de redenen van hunne weigering hebbende opgegeven, worden de genen, die zich tot ondertrouw hebben aangeboden, daarop, zonder vorm van proces, in hunne belangen gehoord; waarna de daartoe gestelde autoriteit, de wederzijdsche belangen onderzocht en overwogen hebbende, over de wettigheid der bijgebragte redenen beslist.

Art. 125.
In de beoordeling van de wettigheid der redenen, zoo door ouders als voogden bijgebragt, en, naar vereisch der gevallen en omstandigheden, aan de daartoe gestelde autoriteit overgelaten, is dezelve verpligt zulke redenen toetelaten, welke hem in gemoede voorkomen van dat gewigt te zijn, dat de geen, die de toestemming behoeft, door zoodanige huwelijks-verbindtenis, zich oogenschijnlijk in zijn verderf storten zoude.

Art. 126.
De verloofde personen in ondertrouw zijnde aangenomen, moeten daarvan drie openbare afkondigingen worden gedaan, telkens met een tusschen-verloop ten minsten van zes dagen.

Art. 127.
Die tijd kan echter om dringende redenen, die geen uitstel toelaten, verkort worden door den Koning, of door de plaatselijke autoriteit, hier voor vermeld.

Art. 128.
Deze afkondigingen moeten gedaan worden op de woonplaatsen der in ondertrouw aangenomene personen, als mede daar zij het laatste jaar gewoond hebben.

Art. 129.
Indien het huwelijk niet voltrokken is binnen een jaar na de laatste of derde afkondiging, kan hetzelve naderhand niet voltrokken worden, ten ware er op nieuw drie afkondigingen, in voege voormeld, geschieden.

Art. 130.
Wanneer de afkondigingen op alle plaatsen, waar dezelve gedaan moeten worden, onverhinderd zijn afgeloopen, en daar van bij schriftelijk bewijs blijkt, zullen de verloofden, ter plaatse waar zij, of ťťn van hen, woonachtig zijn, bij de daartoe bevoegde plaatselijke autoriteit in den huwelijken staat bevestigd worden.

Art. 131.
Met het verrigten van deze trouw wordt het huwelijk voor wettig voltrokken gehouden.

Art. 132.
Een der verloofden, na het eindigen dier afkondigingen, onwillig zijnde om zich te laten trouwen, zal de daartoe bevoegde plaatselijke autoriteit, op aanzoek of aanklagte van eene der partijen, naar de redenen van die onwilligheid onderzoek doen, en, dezelve bedenkelijk vindende, partijen naar den gewonen weg van regten verwijzen, of, dezelve blijkbaar ongegrond oordeelende, iemand benoemen, om den onwilligen te vertegenwoordigen, en alzoo de huwelijksplegtigheid te voltrekken.

Art. 133.
Een huwelijk, in een vreemd land aangegaan tusschen twee Hollanders, of een Hollander en een vreemdeling, zal in dit rijk voor wettig gehouden worden, wanneer hetzelve naar de huwelijksplegtigheden van dat land voltrokken is, mits zijnde voorafgegaan door de afkondigingen, bij artikel 126, 127 en 128 voorgeschreven, en mits hetzelve huwelijk tegen de wetten van Holland niet aanloopt.

Art. 134.
Binnen drie maanden na de terugkomst van den Hollander in het vaderland, moet de acte van het voltrekken des huwelijks geregistreerd worden ter secretarij, of griffie der plaats, alwaar de in het vorig artikel vermelde echtgenooten als dan woonachtig zijn.

VIJFDE HOOFDSTUK

VAN HET STUITEN DER GEBODEN OF HUWELIJKSAFKONDIGINGEN

Art. 135.
Het staat een ieder vrij om, op grond van vroegere en niet vervallen trouwbeloften, of van eerder voltrokken huwelijk, den verderen voortgang der huwelijks-afkondigingen te stuiten, mits van zijne vermeende trouwbeloften, of van een eerder voltrokken huwelijk, door schriftelijk bescheid, dadelijk kunnende doen blijken.

Art. 136.
Ouders, het zij vader en moeder, of de langstlevende van beiden, kunnen mede den voortgang van die afkondigingen stuiten in zoodanige gevallen, waarin hunne toestemming, ingevolge artikel 109, 110, 112, 113 en 114, wordt vereischt.

Art. 137.
Voorts kunnen voogden over ouderlooze, minderjarige kinderen den voortgang der afkondigingen stuiten, onder de bepalingen, bij artikel 116 en 117 vastgesteld.

Art. 138.
De naaste bloedverwanten van ouderlooze, meerderjarige personen hebben daartoe mede regt, bij zinneloosheid van ťťn der aanstaande echtgenooten, wanneer over denzelven geen curator zoude mogen gesteld zijn.

Art. 139.
Indien de daartoe bevoegde plaatselijke autoriteit de redenen van het stuiten der huwelijks-afkondigingen verwerpt, zijn de genen, die zich tegen den voortgang dezer afkondigingen verzet hebben, met uitzondering echter van ouders en bloedverwanten in de opgaande linie, tot vergoeding van kosten, schaden en interesten gehouden.

ZESDE HOOFDSTUK

VAN DE GEVOLGEN DES HUWELIJKS, TEN AANZIEN,

ZOO VAN DE PERSONEN, ALS VAN DE

GOEDEREN DER ECHTGENOOTEN

EERSTE AFDEELING

ALGEMEENE BEPALINGEN

Art. 140.
Beide echtgenooten worden door het huwelijk van de ouderlijke magt en uit de voogdij hunner voogden ontslagen, zulks zoo wel met opzigt tot hunne personen als tot hunne goederen.

Art. 141.
Een minderjarige weduwenaar of weduwe valt zelfs niet weder in de ouderlijke magt of onder voogdij.

Art. 142.
De vrouw volgt de regtbank van haren man.

Art. 143.
De man is aan zijne vrouw bescherming, de vrouw aan haren man gehoorzaamheid verschuldigd.

Art. 144.
De vrouw is verpligt om bij haren man te wonen, en den zelven te volgen overal, alwaar hij goedvindt zijn verblijf te vestigen; de man is verpligt haar te ontvangen, en haar naar mate van zijn vermogen en van zijnen stand, van alles te verzorgen, wat tot de behoeften des levens noodig is.

Art. 145.
Tot de gemeene huishouding is elk verpligt zijne inkomsten en verdiensten getrouwelijk intebrengen, ten ware bij de huwelijksvoorwaarden daaromtrent eene andere bepaling is gemaakt.

Art. 146.
Iemand, trouwende met een man of vrouw, minderjarige voorkinderen hebbende, is gedurende het huwelijk verpligt tot het mede opvoeden van die voorkinderen, en het mededragen der daarop vallende kosten, voor zoo verre dezelve uit der kinderen eigene goederen niet kunnen gevonden worden.

TWEEDE AFDEELING

VAN DE VOOGDIJ VAN DEN MAN

Art. 147.
De man wordt door het huwelijk voogd over zijne huisvrouw.

Art. 148.
Uit kracht van deze voogdij heeft de man het regt, om in naam van zijne vrouw voor den regter te verschijnen; hij is zelfs verpligt haar aldaar te verdedigen, en bevoegd om zulks buiten haar weten, en zelfs tegen haren wil te doen.

Art. 149.
Als voogd heeft hij het bestuur over de goederen van zijne vrouw.

Art. 150.
Man en vrouw, het zij in gemeenschap van goederen, het zij buiten dezelve, getrouwd zijnde, heeft de man, uit krachte van deze voogdij, de magt, om alle de roerende en onroerende goederen, zoo des gemeenen boedels, als des bijzonderen boedels van de vrouw, te vervreemden of te verpachten; met dien verstande nogtans, dat, indien en voor zoo verre de echtgenooten buiten gemeenschap van goederen getrouwd zijn, de man, in geval van vervreemding of verpanding der goederen van de vrouw, tot vergoeding of redintegratie gehouden is.

Art. 151.
Deze magt van den man heeft geen plaats, wanneer de vrouw, bij huwelijksvoorwaarden, het bestuur van hare goederen aan zich heeft voorbehouden.

Art. 152.
De vrouw kan, buiten goedkeuring van haren man, geene erfenissen, legaten of donatiŽn aannemen of verwerpen, ten ware zij, bij onbillijke weigering van den man, daartoe door den regter bevoegd verklaard wordt.

Art. 153.
De vrouw heeft, zonder adsistentie van haren man, geen persoon om in regten te verschijnen.

Art. 154.
Dit lijdt uitzondering:

  1. Wanneer de vrouw wegens misdaad gevangen, of gedagvaard is om in persoon te verschijnen;
  2. Wanneer de vrouw tegen haren eigen man proces voert; en
  3. Wanneer de vrouw als gevolmagtigde van haren man ageert.

Art. 155.
In deze uitgezonderde gevallen staat de vrouw gelijk met eene vrouw, die ongetrouwd en meerderjarig is.

Art. 156.
In andere gevallen, wanneer de man, tegen reden en billijkheid, weigert zijne vrouw voor den regter te adsisteren, of, uit hoofde van afwezendheid, gevangenis of andere verhindering, daartoe buiten staat is, kan zij aan den regter verzoeken bevoegd verklaard te worden, om, zoo lang die verhindering stand grijpt, haar eigen regt en belang, en zelfs ook de belangen van den gemeenen boedel van haar en haren man, te mogen waarnemen.

Art. 157.
De vrouw kan, buiten toestemming van haren man, geene goederen vervreemden noch verpanden.

Art. 158.
Zij kan ook door geene handeling of overeenkomst zich zelve, of haren man, op eenigerhande wijze, verbinden, uitgezonderd in die handelingen, welke tot de dagelijksche huishouding betrekking hebben.

Art. 159.
Alle andere handelingen en overeenkomsten, door de vrouw, zonder toestemming van den man, aangegaan, zijn, ten opzigte van de verbindtenis van de vrouw, nietig en krachteloos, zoo dat noch de man, noch de vrouw, staande huwelijk, of na scheiding van hetzelve, daaruit immer kan worden aangesproken.

Art. 160.
Eene vrouw, met uitdrukkelijke of stilzwijgende toestemming van haren man, openbare koopmanschap, nering of ander bedrijf doende, zijn hare handelingen, buiten den man verrigt, in zaken daartoe betrekkelijk, bestaanbaar, en wanneer zij in gemeenschap van goederen getrouwd zijn, niet alleen voor haar, maar ook voor den man verbindende.

Art. 161.
Eene vrouw wordt niet gerekend zoodanige openbare koopmanschap, nering of ander bedrijf te doen, wanneer zij slechts in den handel van haren man, door het verkoopen of uitstaan in het klein, werkzaam is, maar dan, als zij eene afzonderlijke koopmanschap, nering of bedrijf doet.

Art. 162.
De vrouw mag echter tot het doen van zoodanige koopmanschap, nering of bedrijf, buiten toestemming van haren man, geene gelden te leen opnemen.

Art. 163.
Het staat den man ten allen tijde vrij, om zijne toestemming tot het doen van zoodanige koopmanschap, nering of bedrijf wederom intetrekken, van welke intrekking hij gehouden is, openbare bekendmaking te doen.

Art. 164.
De vrouw kan, buiten haren man, geene betalingen ontvangen, noch schuldenaren ontslaan, ten ware zij, met uitdrukkelijke of stilzwijgende toestemming van den man, gewoon is gelden te ontvangen, en daarvoor quitantie te geven.

Art. 165.
Hij echter, die met de vrouw, buiten adsistentie van den man, gecontracteerd heeft, blijft van zijne zijde aansprakelijk.

Art. 166.
De handelingen van de vrouw, door den man uitdrukkelijk of stilzwijgende zijnde goedgekeurd, zijn voor beide partijen verbindende.

Art. 167.
Indien de vrouw, uit hoofde eener handeling, buiten haren man aangegaan, eenige overgifte van goederen of betaling van geld heeft gedaan, kan het overgegevene of betaalde door den man worden teruggeŽischt.

Art. 168.
De vrouw zelve zal echter dat vermogen niet hebben, wanneer de man intusschen overleden is.

Art. 169.
Indien de vrouw uit gelijken hoofde eenige goederen of gelden ontvangen heeft, die in den gemeenen boedel gekomen zijn, en waardoor dus die boedel is gebaat, zal deswegens eene actie tot teruggave tegen haar en tegen den man, als haar in huwelijk hebbende, plaats hebben.

Art. 170.
Indien eene vrouw, na scheiding van het huwelijk, uit hoofde eener handeling, staande huwelijk, door haar, buiten haren man, aangegaan, iets betaalt, kan zij hetzelve niet als onverschuldigd terugeischen.

Art. 171.
De voogdij van den man over de vrouw eindigt:

  1. Door ontbinding of scheiding van het huwelijk;
  2. Wanneer dezelve voogdij aan den man door den regter is ontnomen, en van dit regterlijk besluit openbare afkondiging is gedaan; en
  3. Door contract tusschen man en vrouw deswegens gesloten, door den regter bekrachtigd, en openlijk bekend gemaakt.

DERDE AFDEELING

VAN GEMEENSCHAP VAN GOEDEREN EN VAN GEMEENSCHAP

VAN WINST EN VERLIES

EERSTE STUK

VAN GEMEENSCHAP VAN GOEDEREN

Art. 172.
Van het oogenblik der voltrekking van het huwelijk af, zijn alle goederen der echtgenooten, zoo tegenwoordige als toekomende, geene uitgezonderd, mitsgaders winst en verlies, staande huwelijk te vallen, tusschen de echtgenooten gemeen, in zoo verre de gemeenschap, bij huwelijks-voorwaarden, niet geheel of gedeeltelijk is uitgesloten.

Art. 173.
Deze gemeenschap heeft plaats, niet alleen in het eerste, maar ook in een tweede, derde en verder volgende huwelijken.

Art. 174.
De kleederen en lijfsieraden der echtgenooten, zelfs die door den ťťn aan den ander bij gelegenheid van het huwelijk gegeven zijn, zijn mede gemeen; zoodanig echter, dat, bij scheiding van het huwelijk, elk kan eischen, dat hem de zijnen op tauxatie worden overgelaten.

Art. 175.
Erfenissen, legaten en donatiŽn, staande huwelijk, aan een der echtgenooten te beurt gevallen, zijn gemeen, zoo verre de erflater, maker of schenker niet uitdrukkelijk anders heeft geboden.

Art. 176.
Goederen, met fideÔ-commis bezwaard, of in vruchtgebruik bezeten, zijn van de gemeenschap uitgesloten, behalve voor zoo veel het genot der vruchten betreft.

Art. 177.
Alle de schulden, welke ieder der echtgenooten, bij het aangaan des huwelijks, heeft, of staande huwelijk maakt, zijn gemeen.

Art. 178.
De doodschulden, na het overlijden vallende, worden niet uit den gemeenen boedel, maar door des overledens erfgenamen alleen gedragen.

TWEEDE STUK

VAN GEMEENSCHAP VAN WINST EN VERLIES

Art. 179.
Schoon de gemeenschap van goederen, bij huwelijksvoorwaarden, uitdrukkelijk is uitgesloten, heeft echter plaats de gemeenschap van winst en verlies, ten ware ook deze, bij die voorwaarden, uitdrukkelijk uitgesloten mogt zijn.

Art. 180.
Elk der echtgenooten deelt in de winsten, en draagt in de verliezen, ieder voor de helft, zoo daaromtrent geene andere bepaling bij huwelijks-voorwaarden gemaakt is.

Art. 181.
Winsten zijn in het gemeen alle vruchten, inkomsten en voordeelen, welke of iemands goederen, of zijn vlijt, arbeid, wetenschap, kunst, koophandel, nering, handwerk, ambt en dergelijken, of ook het geluk hem aanbrengen, en zijne bezittingen vermeerderen; verlies is integendeel al wat iemands bezittingen vermindert.

Art. 182.
Onder winst is echter, in de enkele gemeenschap van winst en verlies, niet begrepen al het geen ťťn der echtgenooten, staande huwelijk, bij erfenis, legaat of schenking verkrijgt, zonder onderscheid, of het van nabestaanden, of van vreemden afkomstig zij.

Art. 183.
Jaarlijksche, maandelijksche, wekelijksche of soortgelijke legaten, als mede lijfrenten, worden voor vruchten gerekend en komen in deze gemeenschap.

Art. 184.
Onroerende goederen, staande huwelijk aangekocht, en effecten, staande huwelijk belegd of door koop verkregen, zijn gemeen tusschen echtgenooten, die in gemeenschap van winst en verlies getrouwd zijn.

Art. 185.
Rijzing of daling van de waarde der goederen, aan een der echtgenooten behoorende, wordt voor geen winst of verlies gerekend.

Art. 186.
Verbetering van vaste goederen, door aanwas, aanspoeling, vertimmering en dergelijken, wordt niet onder winst gerekend, maar bevoordeelt alleen den geen, aan wien de vaste goederen in eigendom toebehooren.

Art. 187.
Schade of vermindering, door brand, watersnood, afspoeling of anderzins veroorzaakt, behoort niet onder de gemeene verliezen, maar komt tot laste van den eigenaar, wiens goederen daardoor beschadigd zijn.

Art. 188.
Alle schulden, waarvan de oorzaak niet reeds vůůr het huwelijk bestaan heeft, maar die door beiden of een van beide de echtgenooten, staande huwelijk, gemaakt zijn, moeten als verliezen tot de gemeenschap van winst en verlies gebragt worden, uitgezonderd het geen een der echtgenooten door misdaad verbeurt.

Art. 189.
Borgtogten of vrijwillige donatiŽn van ťťn der echtgenooten behooren, in geval van gemeenschap van winst en verlies, niet tot de gemeene lasten of verliezen.

Art. 190.
Het geen de eene echtgenoot, ter kwader trouw, en met blijkbaar opzet om zich boven de anderen te verrijken, gedaan heeft, moet ingeval als voren, na scheiding van het huwelijk, aan den anderen echtgenoot vergoed worden.

DERDE STUK

GEMEEENSCHAP, DOOR OVEREENKOMST NIET OPTEHEFFEN

Art. 191.
De gemeenschap van goederen of enkel van winst en verlies, eenmaal door de voltrekking des huwelijks ingevoerd, kan, staande huwelijk, door onderlinge overeenkomst tusschen de echtgenooten niet worden opgeheven.

VIERDE STUK

HOE GEMEENSCHAP EINDIGT

Art. 192.
De gemeenschap van goederen, of enkel van winst en verlies, eindigt alleen, wanneer het huwelijk door den dood, of door eene echtscheiding, bij vonnis van den regter bepaald, ontbonden is, of wanneer de echtgenooten, ten overstaan van den regter, van tafel, bed, bijwoning en goederen gescheiden zijn.

Art. 193.
Alle winst en verlies, na scheiding van het huwelijk voorvallende, maar waarvan de oorzaak, staande huwelijk, is geboren, is nog gemeen en moet gedeeld worden.

VIJFDE STUK

VAN SCHEIDING VAN DEN GEMEENEN BOEDEL

Art. 194.
De gemeenschap van goederen door den dood geŽindigd zijnde, wordt de gemeene boedel in tweeŽn gedeeld, en de eene helft aan den langstlevenden echtgenoot, en de wederhelft aan de erfgenamen van den eerstgestorvenen uitgekeerd.

ZESDE STUK

VAN AFREKENING WEGENS WINST EN VERLIES

Art. 195.
De gemeenschap van winst en verlies door den dood geŽindigd zijnde, neemt de langstlevende echtgenoot zijne eigene goederen naar zich, en rekent met de erfgenamen van den eerstgestorvenen af.

ZEVENDE STUK

VAN VOORTDURING DER GEMEENSCHAP VAN GOEDEREN NA DEN DOOD

Art. 196.
Schoon het huwelijk door den dood geŽindigd is, blijft echter de gemeenschap van goederen voortduren in deze twee gevallen:

Voor eerst, tusschen de minderjarige kinderen en erfgenamen van den eerststervenden echtgenoot en den langstlevenden, die, tot voogd of voogdesse van die kinderen zijnde aangesteld, in den gemeenen boedel, als boedelhouder of boedelhouderesse, blijft zitten, zonder een inventaris van dezelve gemaakt te hebben.

Deze gemeenschap blijft voortduren, tot den tijd toe, dat die inventaris gemaakt zal zijn, en heeft ten gevolge, dat alle vermeerderingen, die den boedel na den dood aankomen, voor de helft zijn ten voordeele van die kinderen, doch dat alle verminderingen alleen tot laste van den langstlevenden komen.

Ten tweeden, tusschen den langstlevenden echtgenoot en de erfgenamen van den eerststervenden, die door denzelven, na doode van den langstlevenden, tot erfgenamen gesteld zijn, in de helft van al het geen de langstlevende onverteerd en onvervreemd zal nalaten.

Het gevolgd dezer voortdurende gemeenschap is, dat alle vermeerderingen en verminderingen, die, na doode van den eerststervenden den boedel aankomen, mede door die erfgenamen genomen en gedragen worden.

ZEVENDE HOOFDSTUK

VAN DISSOLUTIE OF ONTBINDING DES HUWELIJKS

Art. 197.
Het huwelijk wordt ontbonden door den dood.

Art. 198.
Ook wordt het huwelijk ontbonden, wanneer ťťn der echtgenooten, met medeweten van den anderen, naar buiten ís lands vertrokken is, doch van deszelfs leven of dood, gedurende tien jaren, geene de minste tijding is ingekomen, en, de afwezende, bij openbare citatiŽn en advertentiŽn in de nieuwspapieren, voor den regter ingedaagd, en niet opgekomen zijnde, de andere echtgenoot tot het aangaan van een nieuw huwelijk geregtigd verklaard, en hetzelve daarna werkelijk voltrokken is.

Art. 199.
Het huwelijk wordt mede ontbonden door echtscheiding.

ACHTSTE HOOFDSTUK

VAN TWEEDE HUWELIJKEN

Art. 200.
Een tweede of verder volgend huwelijk kan worden aangegaan, wanneer het vorige door den dood of door echtscheiding verbroken is.

Art. 201.
Het aangaan van een ander huwelijk wordt ook toegestaan aan eene vrouw, welker man, en aan een man, wiens vrouw voor tien jaren, met haar of zijn medeweten, naar buiten ís lands is vertrokken, doch van wiens leven of dood, gedurende alle die jaren, geene de minste tijding is ingekomen; mits voldaan zij aan de bepalingen in art. 198, omtrent dit geval, vastgesteld.

Art. 202.
Schoon de afwezende echtgenoot naderhand nog mogt terugkomen, heeft dezelve echter geene aanspraak op den persoon des anderen hertrouwden echtgenoots, wiens laatste huwelijk als wettig blijft stand houden, en heeft de teruggekomen echtgenoot mede vrijheid om te mogen hertrouwen.

Art. 203.
Eene vrouw mag geen tweede huwelijk aangaan, dan na verloop van tien volle maanden, te rekenen van de ontbinding van een eerder huwelijk.

Art. 204.
Een weduwenaar, minderjarige voorkinderen hebbende, is verpligt om, vůůr het aangaan van een tweede huwelijk, te zorgen, dat benevens hem een of meer toeziende voogden over zijne voorkinderen door de weeskamer of het geregt, daartoe bevoegd zijnde, worden aangesteld, als mede om aan de toeziende voogd of voogden, ten overstaan van twee der bloedverwanten, aan dezelve kinderen van de bestorvenezijde tot in den derden graad bestaande, indien er zoodanige ter zijner woonplaats aanwezig zijn, te doen vertichting en bewijs van der voorkinderen moederlijk erfdeel.

Art. 205.
Eene weduwe verliest, door het aangaan van een volgende huwelijk, het beheer van de goederen harer minderjarige kinderen.

Art. 206.
Zij is daarom verpligt, om, vůůr het aangaan van een ander huwelijk, te zorgen, dat een of meer voogden over hare minderjarige voorkinderen worden aangesteld, als mede, om aan dezelve voogd of voogden, ten overstaan van twee der bloedverwanten, aan de kinderen van de bestorvene zijde tot in den derden graad bestaande, indien er zoodanige ter harer woonplaats aanwezig zijn, te leveren staat en inventaris van der kinderen goederen; te doen rekening en verantwoording van het beheer daarover, door haar in haren weduwlijken staat gehouden; en voorts die goederen aan gemelde voogd of voogden ter beheering overtegeven.

Art. 207.
Een weduwenaar of eene weduwe, minderjarige voorkinderen hebbende, mag in ondertrouw niet worden aangenomen, vůůr dat door hem of haar aan de bepalingen van art. 204 en 206 is voldaan.

Art. 208.
Een man of vrouw, trouwende met eene weduwe of weduwenaar, voorkinderen hebbende, zal van dezelven op geenerhande wijze, uitgenomen door het invoeren der gemeenschap van goederen of van winst en verlies, meerder mogen bevoordeeld worden, dan met een kindsgedeelte, gerekend naar het getal der kinderen en verdere afkomelingen, bij representatie, die op het overlijden van den hertrouwden vader of moeder in leven bevonden worden.

Art. 209.
Het geen, tegen dit verbod, door een tweeden man of vrouw meerder dan een kindsgedeelte zoude genoten worden, kan aan dezelven niet volgen, maar strekt ten voordeele van de voorkinderen.

Art. 210.
Dit verbod echter belet niet, dat het kindsgedeelte van ťťn of meer der voorkinderen met fideÔcommis bezwaard, of onder beheering gesteld worde, mits de legitime portie, daarin begrepen, onverkort blijve.

Art. 211.
Dit verbod belet insgelijks niet, om aan een tweeden man of vrouw het vruchtgebruik der nalatenschap te maken, mits de legitime portie der voorkinderen vrij blijve, en mits de goederen, na het eindigen van het vruchtgebruik, door de voorkinderen vrij en onbezwaard worden genoten.

Art. 212.
De voorkinderen meerderjarig zijnde, en van dit voorregt afstand doende, zal dit verbod geen plaats hebben; als mede niet, indien de voorkinderen vůůr den hertrouwden echtgenoot allen mogten overleden zijn, zonder afkomelingen natelaten.

ZESDE TITEL

VAN NULLITEIT OF NIETIGHEID DES HUWELIJKS,

ECHTSCHEIDING EN SEPARATIE

EERSTE HOOFDSTUK

VAN NULLITEIT DES HUWELIJKS EN ECHTSCHEIDING

EERSTE AFDEELING

VAN NULLITEIT DES HUWELIJKS

Art. 213.
Alle huwelijken, aangegaan met personen, wien het huwelijk in het geheel verboden is, of wien de wet verbiedt met elkander te mogen trouwen, of waarin de plegtigheden, bij de wet voorgeschreven, niet zijn in acht genomen, zijn, uit krachte van de wet, van den aanbeginne nietig.

Art. 214.
Indien er echter redenen van billijkheid bestaan, waarom ťťn of ander van zoodanige huwelijken zoude behooren stand te houden, en mitsdien, op grond van dezelve redenen, door de belanghebbenden dispensatie van de bepaling der wetten, ten aanzien dezer huwelijken, van den Koning verzocht en verkregen is, zal deze dispensatie ten gevolge hebben, dat zoodanige huwelijken, welke anders uit hunnen aard nietig en krachteloos zouden zijn geweest, door de verkregene dispensatie als wettig en behoorlijk voltrokken zullen worden gehouden.

Art. 215.
Een huwelijk, aangegaan zijnde zonder de vrije toestemming der beide echtgenooten, of van ťťn derzelve, kan door den regter voor nietig verklaard worden, wanneer de echtgenooten, of die geen van hen, wiens toestemming niet vrij geweest is, deze verklaring des regters inroepen. Ingeval van essentiŽle dwaling in of omtrent den persoon, of wanneer een van beiden door een geheel en al ongeneeslijk en natuurlijk gebrek of ongemak ter voortteling onbekwaam mogt zijn, kan de nietigheid van het huwelijk alleen door dien geen der echtgenooten, welke in dwaling gebragt of bedrogen is, ingeroepen worden.

Art. 216.
In het geval, bij het vorig artikel vermeld, kan de nietigheid van het huwelijk niet meer ingeroepen worden, wanneer er eene achtereenvolgende zamenwoning der echtgenooten, gedurende zes maanden, sedert dien tijd dat de benadeelde echtgenoot het vermogen heeft gehad, om deszelfs regt doen gelden, of sedert de ontdekking der dwaling, heeft plaats gehad.

Art. 217.
Indien de reden, waaruit de nietigheid ontstaan is, alleen bij een van beiden plaats heeft, en de andere opzettelijk bedrogen en misleid is, moet de schuldige de daardoor aan den anderen veroorzaakte schade vergoeden.

TWEEDE AFDEELING

VAN ECHTSCHEIDING

Art. 218.
Echtscheiding mag geen plaats hebben dan om wettige redenen; in het bijzonder is de enkele wederzijdsche overeenkomst der echtgenooten daartoe ongenoegzaam.

Art. 219.
Voor wettige redenen van echtscheiding worden gehouden:

  1. Overspel;
  2. Kwaadwillige verlating, dat is zoodanige bestendige afwezendheid, welke met oogmerk om nooit bij zijn echtgenoot terug te komen geschied is; en
  3. Het plegen van zoodanige grove misdaad, welke verwijzing tot lijfstraf, of tot het werken of gevangen zitten in een tuchthuis, voor een zeer langen tijd, van ten minsten tien jaren, of tot bannissement buiten het rijk, mede voor een zeer langen tijd, van ten minsten vijftien jaren, ten gevolge heeft; mits echter in dit geval de echtscheiding gevorderd worde binnen het jaar, na de uitspraak van het vonnis; na welken tijd om deze reden geene echtscheiding zal mogen plaats hebben, ten ware een der echtgenooten zich buiten Europa mogt bevonden hebben.

Art. 220.
Die door zijn eigen wangedrag de oorzaak geweest is, dat er eene reden tot echtscheiding aanwezig is, kan van zijnen kant de echtscheiding geenszins vorderen.

Art. 221.
Uitdrukkelijke of stilzwijgende vergiffenis der misdaden, welke den grondslag tot echtscheiding kunnen leggen, doen het regt, om echtscheiding te vorderen, te niet.

Art. 222.
Indien uit de echtscheiding proces ontstaat, kan de regter, na een summier onderzoek van zaken, het zij door aan den eischer toetestaan, om afzonderlijk te mogen wonen, het zij door de voogdij van den man opteschorten, het zij door aan de vrouw tot haar noodig onderhoud eene wekelijksche uitkeering toeteleggen, het zij omtrent de opvoeding der kinderen, zoodanige provisionele schikkingen maken, als hij tot veiligheid van den persoon of van de goederen van ťťn der echtgenooten, of van de kinderen, in billijkheid noodzakelijk oordeelt.

Art. 223.
De echtscheiding eenmaal bij vonnis bepaald zijnde, kan tusschen die zelfde personen wederom geen huwelijk bestaan.

Art. 224.
Beide gescheiden personen kunnen met een ander een tweede huwelijk aangaan, onverminderd de bepaling bij artikel 107 vastgesteld.

Art. 225.
Zij blijven echter, als ouders, verpligt, om voor de opvoeding en het onderhoud der kinderen, uit hun gescheiden huwelijk geboren, te zorgen, en wordt de wijze der opvoeding des noods, door den regter bepaald.

Art. 226.
De boedel wordt tusschen de gescheiden echtgenooten verdeeld, op dezelfde wijze, als of het huwelijk door den dood ontbonden was.

Art. 227.
De voordeelen echter, die bij huwelijksvoorwaarden bedongen zijn, om eerst na den dood van ťťn der echtgenooten plaats te hebben, als douariŽn en soortgelijken, worden, ten aanzien der schuldige partij, door de echtscheiding gehouden voor vervallen.

Art. 228.
Wanneer de onschuldige persoon bij de scheiding der goederen zoo veel niet kan bekomen, dat dezelve daaruit naar zijnen staat ordentelijk kan bestaan, legt de regter aan den schuldigen op, om eene zekere somme, geŽvenredigd aan zijn vermogen, op bepaalde tijden, aan den onschuldigen, tot deszelfs onderhoud, zoo lang zulks noodig zijn zal, uittekeeren.

TWEEDE HOOFDSTUK

VAN SEPARATIE

Art. 229.
Separatie of scheiding van tafel, bed, bijwoning en goederen, ontbindt het huwelijk niet, maar schort alleenlijk deszelfs gevolgen op; blijvende altijd de hoop op wederzijdschen verzoening over.

Art. 230.
Geene separatie kan, buiten kennis en bekrachtiging van den regter, worden aangegaan, noch eenige regterlijke gevolgen hebben. Van alle separatie van tafel, bed, bijwoning en goederen moet openbare bekendmaking gedaan worden.

Art. 231.
Op grond der redenen van echtscheiding, hier voren bepaald, kan men ook enkel eene scheiding van tafel, bed, bijwoning en goederen verzoeken.

Art. 232.
Voor wettige redenenvan separatie worden bovendien gehouden zulke hooggaande en rustverstorende mishandelingen en oneenigheden, tusschen echtgenooten op den duur plaats hebbende, dat de zamenleving daardoor ondragelijk wordt, en men met reden voor kwade gevolgen beducht is.

Art. 233.
Eene vrouw, door haren man op eene verregaande wijze dadelijk mishandeld wordende, mag zich, om verder ongeluk te ontwijken, buiten ís huis naar elders begeven.

Art. 234.
Zij is echter verpligt hare klagten over die mishandelingen ten spoedigste intebrengen bij den regter, die, wanneer hij, na een summier onderzoek, die klagten gegrond bevindt, de vrouw mag toestaan, gedurende het proces van separatie, afzonderlijk te wonen.

Art. 235.
De boedel wordt tusschen de gesepareerde echtgenooten verdeeld op gelijke wijze, als bij echtscheiding plaats heeft, uitgezonderd dat de voordeelen bij huwelijksvoorwaarden bedongen, oom eerst na den dood van ťťn der echtgenooten plaats te hebben, blijven stand houden.

Art. 236.
Indien de vrouw uit hare eigene goederen niet ordentelijk kan bestaan, is de man verpligt om eene zekere somme, geŽvenredigd aan zijn vermogen, op bepaalde tijden aan de vrouw tot haar onderhoud uittekeeren, zoo lang zulks noodig zal zijn.

Art. 237.
De gesepareerde echtgenooten blijven, als ouders, verpligt, om voor het onderhoud en de opvoeding hunner kinderen te zorgen; en wordt de wijze der opvoeding, des noods, door den regter bepaald.

Art. 238.
Omtrent de verdeeling der goederen, het doen van uitkeering tot onderhoud aan een der echtgenooten, en omtrent de opvoeding der kinderen, kunnen, bij het aangaan der separatie, ten overstaan en onder bekrachtiging van den regter, afzonderlijke bedingen gemaakt worden.

Art. 239.
Ieder der gesepareerde echtgenooten zal, dadelijk na het regterlijk gewijsde, zijne eigene goederen beheeren, en de eene zal voor des anders schulden, na dien tijd gemaakt, niet aansprakelijk zijn.

Art. 240.
Het staat aan gesepareerde echtgenooten ten allen tijde vrij, zich weder met elkander te verzoenen, en hunne zamenleving te hervatten.

Art. 241.
Het gevolg daarvan is, dat het huwelijk op denzelfden voet en voorwaarden, als bevorens, gerekend wordt op nieuw te bestaan.

ZEVENDE TITEL

VAN DE BETREKKING TUSSCHEN OUDERS EN KINDEREN

EERSTE HOOFDSTUK

VAN WETTIGE KINDEREN

Art. 242.
Een kind, waarvan eene vrouw, staande huwelijk, zwanger is geworden, wordt geacht den man tot vader te hebben. Niettemin kan deze zich van de erkentenis van het kind ontslaan, mits hij bewijze, gedurende den tijd, die tusschen den drie honderdsten en honder tachtigsten dag voor de geboorte van het kind verloopen is, het zij uit hoofde van afwezendheid, of ten gevolge van natuurlijke onmagt, of van eenig toeval, in de physieke onmogelijkheid geweest te zijn om met zijne vrouw te cohabiteren.

Art. 243.
De man kan, buiten de gevallen in het vorig artikel vermelde, niet weigeren het kind voor het zijne te erkennen, ter zake van overspel door zijne vrouw gepleegd, ten zij de geboorte van het kind voor hem verborgen gehouden ware; in welk geval hem vrijlaat, al dat gene aan den regter voortedragen, het welk geschikt is om te doen zien, dat hij geen vader van het kind is.

Art. 244.
De man kan niet ontkennen vader te zijn van een kind, hetwelk vůůr den honderd en tachtigsten dag na de voltrekking van het huwelijk geboren is, in de navolgende gevallen:

  1. Wanneer hij, vůůr het huwelijk, van de zwangerschap kennis gedragen heeft;
  2. Wanneer hij het kind, bij de geboorte en aangifte, uitdrukkelijk of stilzwijgende, voor het zijne erkend heeft; en
  3. Wanneer het kind verklaard is niet genoegzaam voldragen te zijn, om te kunnen leven.

Art. 245.
Wanneer de man de bevoegdheid heeft om optekomen tegen de wettigheid van een kind, moet hij zijne actie beginnen binnen den tijd van eene maand, indien hij zich in de geboorteplaats van het kind ophoudt;
Binnen twee maanden na zijne terugkomst, indien hij ten tijde der geboorte afwezend is; en
Indien men de geboorte van het kind voor hem verborgen gehouden heeft, insgelijks binnen twee maanden na de ontdekking van het bedrog.

Art. 246.
De wettigheid van een kind, het welk, drie honderd dagen na de ontbinding van het huwelijk, ter wereld komt, kan worden tegengesproken.

Art. 247.
Indien de man overleden is, alvorens tegen de wettigheid van een kind optekomen, doch gedurende het tijdverloop, binnen hetwelke hij daartoe bevoegd was, kunnen zijne erfgenamen deze actie beginnen binnen twee maanden, te rekenen van het tijdstip, waarop het kind zich in het bezit der goederen van den man mogt gesteld hebben, of waarop de erfgenamen in het bezit dier goederen door het kind gestoord mogten zijn.

Art. 248.
Geene extra-judiciŽle acte, waarbij de wettigheid van het kind door den man of deszelfs erfgenamen tegengesproken wordt, kan eenig gevolg hebben, ten zij, binnen ťťn maand daarna, deswegens eene actie begonnen wordt tegen eenen voogd, ter dier zake aan het kind speciaal toegevoegd; daarbij geroepen zijnde de moeder, voor zoo verre dezelve zich nevens den voogd zoude willen voegen.

TWEEDE HOOFDSTUK

HOE DE STAAAT VAN WETTIGE KINDEREN BEWEZEN WORDT

Art. 249.
De staat van wettige kinderen wordt bewezen door de acten van geboorte en de openbare registers.

Art. 250.
Bij gebreke van zoodanig bewijsstuk, is het onafgebroken bezit van den staat van wettig kind genoegzaam.

Art. 251.
Een kind wordt geacht in het bezit van dien staat te zijn, wanneer zich zoo vele daadzaken ten zijnen opzigte vereenigen, als genoegzaam zijn om de betrekking van ouder en kind, en van bloedverwantschap tusschen hetzelve en het geslacht, waartoe dat kind beweert te behooren, aanteduiden.
De voornaamste dier daadzaken zijn: dat het kind den naam van hem, dien hij beweert zijn vader te zijn, steeds gedragen heeft;
Dat de vader het kind als het zijne behandeld, als zoodanig deszelfs opvoeding en onderhoud voorzien, en aan hetzelve een etablissement bezorgd heeft;
Dat het kind in den omgang als zoodanig op den duur is erkend geweest; en
Dat hetzelve door de familie mede als zoodanig is erkend geweest.

Art. 252.
Niemand kan eenen anderen staat voorwenden, dan die door zijn geboortebewijs, en daar, mede overeenstemmend bezit wordt aangeduid:
En wederkeerig kan niemand den staat contesteren van den geen, die in een bezit is, hetwelk met deszelfs geboortebewijs overeenstemt.

Art. 253.
Bij gebreke van het bovengemeld bewijs, en aanhoudend bezit, of indien het kind, het zij onder valsche namen, of als geboren uit een onbekenden vader en moeder, is aangegeven, kan de staat van wettige geboorte bewezen worden door getuigen.
Dit bewijs wordt echter niet toegelaten dan, wanneer een begin van bewijs door geschrift aanwezig is, of wanneer de presumtiŽn en indiciŽn, ontstaande uit daadzaken, welke destijds reeds ontwijfelbaar waren, gewigtig genoeg zijn om het bewijs door getuigen toetelaten.

Art. 254.
Het begin van bewijs door geschrifte ontstaat uit familiepapieren, huishoudelijke registers, en aanteekeningen van den vader of moeder, publieke acten en bijzondere geschriften van een persoon, die in het geschil betrokken is, of daarbij belang hebben zoude, indien hij in leven was.

Art. 255.
Het contrarie bewijs kan geschieden op allerlei manieren, die geschikt zijn om uittemaken, dat de reclamant het kind niet is van de moeder, die hij voorwendt, of, wanneer de betrekking der moeder mogt bewezen zijn, hetzelve echter het kind niet is van den man der moeder.

Art. 256.
Bij gebreke van het bewijs door acten van geboorte, bezit of getuigen, kan bovendien, wanneer er merkelijke indiciŽn en presumtiŽn voor den staat van een kind aanwezig zijn, door den regter, naar aanleiding der omstandigheden, aan den vader en moeder, of andere belanghebbenden worden opgelegd, om hunne ontkentenis, of de goede trouw van dezelve met eede te staven; en zal, in geval van weigering, de staat, welken het kind inroept, worden gehouden voor bewezen.

Art. 257.
De actie van een kind tot reclame van deszelfs staat is aan geene prescriptie onderhevig.

Art. 258.
Het kind deze actie niet begonnen hebbende, zijn zijne erfgenamen daartoe niet bevoegd, dan voor zoo verre het kind, gedurende zijne minderjarigheid, of binnen de vijf jaren na zijnen meerderjarigheid, overleden is.

Art. 259.
Deze actie door het kind begonnen zijnde, kunnen de erfgenamen dezelve vervolgen, mits het kind daarvan niet uitdrukkelijk afstand heeft gedaan, noch dezelve gedurende drie jaren, sedert de laatste judiciŽle acte, onvervolgd gelaten heeft.

DERDE HOOFDSTUK

VAN ONECHTE KINDEREN EN VAN DERZELVER

WETTIGING OF LEGITIMATIE

EERSTE AFDEELING

VAN ONECHTE KINDEREN IN HET ALGEMEEN

Art. 260.
Kinderen, in onecht geboren, volgen niet den vader, maar alleen de moeder, ten opzigte van welke zij hetzelfde regt als wettige kinderen genieten.

TWEEDE AFDEELING

VAN ERKENTENIS VAN ONECHTE KINDEREN, EN HET

VERDER BEWIJS VAN DER ZELVER STAAT

Art. 261.
De erkentenis van onechte kinderen geschiedt bij eene authentieke acte, indien dezelve niet reeds bij de acte van geboorte gedaan is.

Art. 262.
Eene erkentenis, in een verzoekschrift, bij eenige autoriteiten ingediend, gedaan, staat met eene erkentenis bij authentieke acte gelijk.

Art. 263.
Een onecht kind kan tegen zijn vader geen ander regt, dan alleen tot levensonderhoud, volgens art. 273, inroepen; deszelfs regt ten aanzien van zijne moeder wordt, behalve bij art. 260 en 273, bij den titel van erfvolging vastgesteld.

Art. 264.
De betrekking van een onecht kind tot zijne moeder wordt mede bewezen door een onafgebroken bezit van zijnen staat als kind van dezelve.

Art. 265.
Geen bewijs van den staat van een onecht kind, door getuigenis, wordt toegelaten, dan wanneer een begin van bewijs door geschrift aanwezig is.

Art. 266.
Wanneer merkelijke indiciŽn of presumtiŽn voor den staat van een onecht kind, ten aanzien zoo van vader als moeder, aanwezig zijn, kan, behalve in het geval van kinderen in bloedschande of overspel geteeld, door den regter, naar aanleiding der omstandigheden, een eed van zuivering worden opgelegd; en wordt het weigeren, of in gebreke blijven, om denzelven eed afteleggen, met eene erkentenis van den vader of de moeder gelijk gesteld.

Art. 267.
Het bepaalde bij art. 257, 258 en 259 is mede op onechte kinderen, voor zoo veel derzelver betrekking op hunne moeder aangaat, toepasselijk.

DERDE AFDEELING

VAN WETTIGING VAN ONECHTE KINDEREN

Art. 268.
Legitimatie kan plaats hebben, niet alleen ten behoeve van onechte kinderen, die in leven zijn, maar ook ten aanzien van overleden onechte kinderen, welke descendenten nagelaten hebben; en geschiedt dezelve in dit geval ten behoeve der descendenten.

EERSTE STUK

VAN WETTIGING DOOR OPGEVOLGD HUWELIJK

Art. 269.
Onechte kinderen, mits niet in bloedschande of overspel geteeld, worden door het opgevolgd huwelijk van hunnen vader en moeder gewettigd, en genieten in allen opzigte dezelfde regten, als of zij uit dat huwelijk geboren waren.

Art. 270.
Om zoodanige wettiging te doen plaats hebben, wordt vereischt, dat de kinderen, bij de acte van geboorte, door vader en moeder beide erkend zijn, of, wanneer bij de acte van geboorte geene zoodanige erkentenis heeft plaats gehad, dezelve als dan gedaan wordt bij de voltrekking of bevestiging van het huwelijk, ten overstaan van den regter, of autoriteit, bij art. 135 vermeld; en wordt hiervan in de huwelijks- of trouwacte, en in de trouwregisters uitdrukkelijke melding gemaakt.

TWEEDE STUK

VAN WETTIGING DOOR BRIEVEN VAN LEGITIMATIE

Art. 271.
Onechte kinderen, niet in bloedschande of overspel geteeld, kunnen gewettigd worden door brieven van legitimatie, bij den Koning verleend, ingeval de wettiging door opgevolgd huwelijk, uit hoofde van den dood van vader of moeder, of omdat de moeder sedert met een ander getrouwd is, onmogelijk, of wegens andere omstandigheden onvoegzaam geworden is.

Art. 272.
Deze brieven van legitimatie kunnen, ten aanzien der erfvolging, niet werken tot nadeel der wettige kinderen, die ten tijde van het verleenen van die brieven reeds geboren zijn; gelijk zij ook niet werken in de erfvolging van bloedverwanten van den vader, dan voor zoo verre dezelve daarin hebben toegestemd.

VIERDE HOOFDSTUK

VAN DE VERPLIGTING TOT ONDERHOUD

Art. 273.
De ouders zijn verpligt om hunne kinderen, het zij wettige, het zij gewettigde, het zij zelfs onwettig geborene, van het noodig levensonderhoud te voorzien.

Art. 274.
Deze verpligting houdt op, wanneer de kinderen in staat zijn, om voor zich zelven de kost te winnen.

Art. 275.
Zij houdt insgelijks op, indien de kinderen van elders goederen bezitten, uit welker vruchten hun het noodig onderhoud verschaft kan worden.

Art. 276.
De vruchten kunnen echter tot dit onderhoud niet gebruikt worden, dan alleen bijaldien en voor zoo verre de ouders daartoe door den regter geautoriseerd zullen zijn.

Art. 277.
Kinderen kunnen hunne ouders niet noodzaken tot het aan hen verschaffen van een etablissement, of het geven van een uitzet of huwelijksgoed.

Art. 278.
Kinderen, zoo wel de wettige als gewettigde, en zelfs onwettig geborene, daartoe vermogend zijnde, zijn wederkeerig verpligt om aan hunne ouders en groot-ouders, tot armoede vervallen zijnde, het noodig onderhoud te bezorgen.

VIJFDE HOOFDSTUK

VAN DE OUDERLIJKE MAGT

Art. 279.
Over de personen der wettige en gewettigde kinderen hebben beide de ouders alle die magt en dat gezag, hetwelk de pligt eener behoorlijke opvoeding en de orde des huisgezins vorderen.

Art. 280.
Over de personen der onwettige kinderen heeft de moeder alleen alle die magt en gezag, bij het voorgaande artikel vermeld, en geenszins de vader, al ware het ook dat deze bekend mogt zijn.

Art. 281.
Kinderen blijven onder de ouderlijke magt tot derzelver meerderjarigheid of emancipatie.

Art. 282.
Zij mogen echter in ís Konings legers of vloten dienst nemen, en dien ten gevolge het ouderlijk huis verlaten, wanneer zij den vollen ouderdom van achttien jaren hebben bereikt.

Art. 283.
Dezelve zijn niettemin ten allen tijde aan hunne ouders eerbied en ontzag verschuldigd.

Art. 284.
De goederen, welke de kinderen in eigendom bezitten of verkrijgen, behooren aan de kinderen zelve toe.

Art. 285.
Doch, zoo lang zij minderjarig zijn, worden de goederen door de ouders als voogden beheerd, ten zij de genen, die de goederen aan de kinderen nagelaten, gemaakt of geschonken hebben, derzelver bestuur aan bijzondere voogden hebben opgedragen.

Art. 286.
In het aangaan van verbindtenissen met derde personen worden de kinderen, die onder de ouderlijke magt staan, door den vader, als natuurlijken voogd van die kinderen, geadsisteerd. Onechte kinderen worden geadsisteerd door derzelver moeder.

Art. 287.
De moeder eerst overlijdende, behoudt de langstlevende vader, zoo omtrent de personen als de goederen der kinderen, dezelfde magt, welke beide de ouders, staande huwelijk, gehad hebben.

Art. 288.
De vader eerst overlijdende, behoudt de langstlevende moeder het gezag over de personen der kinderen; het beheer van derzelver goederen komt mede aan haar, indien zij tot voogdesse gesteld is, of wel anders aan de genen, die als voogden tot dat beheer benoemd worden. Eene vrouw op het overlijden van haren man zwanger zijnde, is op het kind, dat vervolgens door haar ter wereld geboren wordt, de vorenstaande bepaling mede toepasselijk.

ACHTSTE TITEL

VAN MINDERJARIGHEID EN VOOGDIJ

EERSTE HOOFDSTUK

VAN MINDERJARIGHEID

Art. 289.
Voor minderjarig worden gehouden jongelingen en jonge dochters, die den ouderdom van drie-en-twintig jaren niet hebben vervuld, ten ware zij eerder zijn geŽmancipeerd.

TWEEDE HOOFDSTUK

VAN VOOGDIJ

Art. 290.
Voogdij heeft plaats over de personen en goederen van minderjarigen, of over derzelver goederen alleen.

Art. 291.
Tot onderscheidene gedeelten der voogdij kunnen ook onderscheidene personen worden aangesteld, zoo dat de eene de opvoeding, de andere de goederen bestuurt.

Art. 292.
Voogden, alleen over de goederen gesteld, of wier voogdij zich uit den aard der zake niet verder kan uitstrekken dan tot de goederen, hebben geen gezag over de personen hunner pupillen.

Art. 293.
Voogden zijn of besturende of toeziende voogden.

Art. 294.
In het algemeen mag niemand, die volgens de wet bevoegd is voogd te zijn, zich aan eene voogdij onttrekken, maar kan integendeel tot het aannemen van dezelve genoodzaakt worden.

EERSTE AFDEELING

VAN VOOGDIJ VAN VADER, MOEDER EN ANDERE PERSONEN,

EN VAN AANSTELLING VAN VOOGDEN BIJ TESTAMENT OF ACTE

Art. 295.
Voogden over der minderjarigen personen en goederen worden aangesteld door beide of een van beide de ouders, bij testament of bij eene andere afzonderlijke acte.

Art. 296.
Zoodanige personen, hetzij nabestaanden, hetzij vreemden, die aan minderjarigen bij erfenis of legaat iets nalaten, kunnen mede, bij testament of acte, daarover voogden aanstellen.

Art. 297.
Wanneer zoodanige erflatersof gevers geene voogden benoemd hebben, komt het geŽrfde of gelegateerde onder het beheer van de ouders der minderjarigen, of van de voogden, die over derzelver goederen in het algemeen gesteld zijn.

Art. 298.
Ten aanzien van de magt of voogdij der langstlevenden van de ouders, over de personen en goederen van hunne kinderen, wordt gerefereerd tot het bepaalde bij art. 287 en 288.

Art. 299.
Een voogd, bij testament of acte aangesteld, kan ook bij eene nadere acte eenen tweeden voogd adsumeren of bij zich kiezen, als mede surrogeren, om, bij overlijden of ontslag, aan hem in de voogdij optevolgen, mits tot dat een en ander uitdrukkelijk aan hem de magt gegeven is.

Art. 300.
Indien de minderjarige twee of meer voogden heeft, komt de magt van assumtie aan die allen gezamenlijk toe, zoo dat de een zulks niet kan doen, dan met medeweten van den anderen; maar surrogatie mag elk voor zich en in zijne plaats doen.

TWEEDE AFDEELING

VAN AANSTELLING VAN VOOGDEN DOOR DE WEESKAMER

OF HET GEREGT, EN VAN OPPERVOOGDIJ

Art. 301.
Geene aanstelling door de weeskamer heeft plaats in die gevallen, wanneer dezelve is uitgesloten.

Art. 302.
Vader en moeder, of die gene derzelve, welks voorziening vereischt wordt, bij sterfgeval, afwezendheid of andere toevallen, welke hen buiten staat stellen om het opzigt over hunne minderjarige kinderen uitteoefenen, omtrent de voogdij over dezelve geene beschikking hebbende gemaakt, worden door de weeskamer, of, waar dezelve niet aanwezig of uitgesloten is, door het geregt, ter plaatse van het sterfhuis of domicilie, ťťn of meer voogden, mitsgaders ťťn toeziende voogd, over de minderjarige kinderen aangesteld.

Art. 303.
Die genen, welke de ouders, bij uitersten wil, uitdrukkelijk verboden hebben voogden te zijn, mogen ook door de weeskamer of het geregt niet tot voogden worden aangesteld.

Art. 304.
Iemand tot voogd aangesteld, doch gedurende den loop der voogdij daartoe onbevoegd of onbekwaam geworden zijnde, voorziet de weeskamer, of, waar dezelve niet aanwezig of uitgesloten is, het geregt in de voogdij van de minderjarige.

Art. 305.
In de aanstelling van de voogden, door de weeskamer of het geregt, wordt boven alle anderen de voorrang gegeven aan de moeder of grootmoeder, zoo lang zij tot geen ander huwelijk overgaan, met bijvoeging echter van eenen tweeden voogd, indien het belang der minderjarigen zulks vordert.

Art. 306.
Moeder en grootmoeder ontbrekende, verkiest men den voogd of voogden uit de naaste bloedverwanten, van vaders of moeders zijde, van den minderjarigen, indien zij daartoe geschikte personen zijn.

Art. 307.
De uitsluiting van de weeskamer beneemt niets aan de oppervoogdij van het geregt der plaats, als welke niet uitgesloten mag worden.

Art. 308.
Deze oppervoogdij bestaat in het aanstellen of bevestigen der voogden, in een toezigt houden over derzelver handelingen, in de gebrekigen tot hunnen pligt te brengen, en in de kwalijk handelenden van de voogdij te weren.

DERDE AFDEELING

VAN TOEZIENDE VOOGDEN

Art. 309.
Bij iedere voogdij zal ťťn toeziende voogd zijn, welke wordt benoemd, het zij bij testament of andere acte, het zij bij de weeskamer, of, waar dezelve niet aanwezig of uitgesloten is, bij het geregt.

Art. 310.
Wanneer bij testament of acte geen toeziende voogd benoemd is, vervoegen zich de benoemde, of, in de gevallen bij art. 297 vermeld, de natuurlijke voogden bij de weeskamer, of, dezelve niet aanwezig of uitgesloten zijnde, bij het geregt, ten einde door hetzelve een toeziende voogd zoude kunnen benoemd worden. De benoemde voogd, zulks verzuimd hebbende, is tot schadevergoeding aan den minderjarigen gehouden.

Art. 311.
In zoodanige gevallen, wanneer de weeskamer of het geregt de aanstelling van voogden doet, wordt ter gelijker tijd door dezelve de toeziende voogd benoemd.

Art. 312.
De weeskamer, of het geregt, geeft in de benoeming van een toezienden voogd acht, om in die gevallen, waar geen voogden, van de beide (te weten van de vaderlijke en moederlijke) zijden aan den pupil bestaande, aanwezig zijn, tot toezienden voogd, is het mogelijk, een persoon aantestellen, die niet van dezelfde, het zij vaderlijke, het zij moederlijke zijde, als de voogden zelve aan den minderjarigen bestaat.

Art. 313.
De voogdij over een minderjarigen vacerende, of door afwezendheid verlaten zijnde, treedt de toeziende voogd, uit krachte der wet, geenszins op in de plaats van den gewezen voogd, maar hij is in die gevallen verpligt, omtrent de benoeming van eenen nieuwen voogd werkzaam te zijn; zulks verzuimd hebbende, is hij gehouden alle schade, die uit dit verzuim voor den minderjarigen zoude kunnen ontstaan, aan denzelven te vergoeden.

Art. 314.
De toeziende voogd is in het algemeen gehouden de belangen van den minderjarigen waartenemen, in alle zoodanige zaken, waarin het eigenbelang van den voogd zelven met dat van den minderjarigen strijdig zoude kunnen zijn.

Art. 315.
De toeziende voogd moet tegenwoordig zijn bij het maken van den inventaris, die, volgens art. 333, moet worden geformeerd, en toezien dat daarop alles naar behooren gebragt worde.

Art. 316.
Dezelve moet ook den besturenden voogd in alle bedenkelijke zaken met zijnen goeden raad bijstaan en behulpzaam zijn.

Art. 317.
Hij moet een bestendig toezigt houden, dat de persoon van den minderjarigen behoorlijk opgevoed, en zijne goederen wel bestuurd worden.

Art. 318.
Tot dit einde is hij bevoegd om van tijd tot tijd, en gehouden om, ten minsten eenmaal ís jaars, van den besturenden voogd opening van zaken en verantwoording te vorderen.

Art. 319.
Bevindende dat de zaken niet wel bestuurd worden, moet hij tot het herstel daarvan medewerken, en, des noods, aan de weeskamer, of het geregt daarvan kennis geven, en derzelver voorziening verzoeken.

Art. 320.
De toeziende voogd is aansprakelijk wegens zijn verzuim in het aanwenden van de vereischte toezigt en zorg voor het behoorlijk bewind der besturende voogden.

Art. 321.
Het bepaalde bij artikel 292, 294, 301, 302, 323, 324, 325, 326, 327, 328, 348 en 368, en bij het laatste lid van 381, is mede op de toeziende voogden toepasselijk.

Art. 322.
Met het einde der voogdij eindigt tevens het werk van den toezienden voogd.

VIERDE AFDEELING

VAN DE REDENEN, DIE VAN EENE VOOGDIJ VERSCHOONEN

Art. 323.
Van eene voogdij kunnen zich verschoonen:

  1. De personen, die zoodanige ambten of bedieningen bekleeden, welke hen volstrekt verhinderen eene voogdij waar te nemen, of hun billijke redenen geven om zich aan dezelve te kunnen onttrekken;
  2. Krijgslieden, die in werkelijken land- of zeedienst zijn;
  3. Die in ís lands dienst buiten het rijk afwezend zijn;
  4. Die niet woonachtig zijn in het kwartier, of gedeelte van het departement, alwaar de voogdij komt te vallen;
  5. Die den ouderdom van zestig jaren vervuld hebben;
  6. Die, door groote zwakheid, of aanhoudende ziekte, of door armoedige omstandigheden, ongeschikt zijn om met den last eener voogdij bezwaard te worden;
  7. Die reeds met drie andere voogdijen, curatele en administratie daaronder gerekend, bezwaard zijn; en
  8. Die vijf wettige kinderen in leven hebben.

Art. 324.
Indien de reden van verschooning gedurende den loop der voogdij ontstaat, staat het aan den voogd eveneens vrij, om die reden van verschooning aan de weeskamer, of zoo die niet aanwezig, of uitgesloten is, aan het geregt, voor te dragen, en zijn ontslag te verzoeken, als mede dat een ander voogd in zijne plaats benoemd worde; op welk verzoek naar de omstandigheden zal worden gedisponeerd.

Art. 325.
Die zich, op grond van een of meer van gemelde redenen, van eene voogdij willen verschoonen, moeten, binnen veertien dagen na dat zij kennis van hunne aanstelling bekomen hebben, zich aan de weeskamer of het geregt vervoegen, en aldaar hunne redenen, met de noodige bewijzen, inbrengen; waarop naar bevind van zaken zal worden beslist.

Art. 326.
De redenen van verschooning door de weeskamer of het geregt verworpen wordende, kan de aangestelde persoon daarvan komen in hooger beroep; en wordt inmiddels, in het geval bij het vorig art. vermeld, in de voogdij voorzien.

VIJFDE AFDEELING

WIE GEENE VOOGDEN MOGEN ZIJN, EN WIE VAN

EENE VOOGDIJ MOETEN AFGEZET WORDEN

Art. 327.
Voogden mogen niet zijn:

  1. Die zelve onder voogdij of curatele staan;
  2. Vrouwspersonen, uitgenomen moeder of grootmoeder, zoo deze laatste niet hertrouwd zijn;
  3. Allen die met de minderjarigen zaken uitstaande hebben, waarin het belang van de minderjarige, of van hunnen boedel, aanmerkelijk betrokken is;
  4. Die, ter zake van misdaad, bij regterlijk gewijsde eerloos verklaard, of tot eene openbare straffe verwezen zijn;
  5. Een stiefvader over zijne stiefkinderen; en
  6. Die insolvent geworden zijn en hunne crediteuren niet hebben voldaan.

Art. 328.
Van eene voogdij moeten afgezet worden:

  1. Alle de geen, die tot zoodanigen staat vervallen, welke hen van den beginne af aan onbevoegd gemaakt zouden hebben, om voogden te zijn;
  2. Die overtuigd worden van ter kwader trouw gehandeld te hebben; en
  3. Die van een zoodanig, in het oog loopend, ongeregeld en achteloos gedrag zijn, dat de belangen van den minderjarigen hun niet zonder gevaar kunnen blijven toevertrouwd.

ZESDE AFDEELING

VAN DE ADMINISTRATIE, OF HET BESTUUR DER VOOGDEN

Art. 329.
Alle voogden, het zij bij testament of andere acte, het zij door de weeskamer of door het geregt aangesteld, zijn verpligt, dadelijk na dat zij van hunne aanstelling kennis bekomen hebben, ter weeskamer, of, zoo die niet aanwezig of uitgesloten is, bij het geregt, zich onder eede te verbinden, dat zij de aan hen opgedragene voogdij getrouwelijk en naar hun beste weten, overeenkomstig de voorschriften van de wet, zullen waarnemen.

Art. 330.
Wanneer geen toeziende voogd benoemd is, zorgen de voogden, dat dezelve benoeming dadelijk geschiede, ingevolge het voorschrift van art. 310.

Art. 331.
De voogden zijn verpligt, om, dadelijk na het overlijden, indien de overledene geene afzonderlijke executeurs heeft aangesteld, door verzegeling, of andere gepaste middelen, te zorgen, dat de boedel in zijn geheel blijve, en niet verminderd worde.

Art. 332.
In het doen van die verzegeling moet echter met die bescheidenheid worden te werk gegaan, dat daardoor noch aan de weduwe, welke men in den boedel vindt, noch aan de koopmanschappen, handwerk of nering, welke door den overledene uitgeoefend is, voor zoo verre die nog aangehouden dient te worden, buiten noodzaak, eenige belemmering of benadeeling wordt toegebragt.

Art. 333.
De verzegelde goederen moeten zoodra mogelijk weder worden ontzegeld, en een staat en inventaris van den geheelen boedel, geregtelijk, notariaal, of onder de hand, opgemaakt en verleden worden.

Art. 334.
Van den inventaris moet, binnen acht dagen na het passeren van denzelven, een authentiek afschrift ter weeskamer, of, zoo dezelve niet aanwezig of uitgesloten is, aan het geregt overgebragt, en aldaar met eede gesterkt worden.

Art. 335.
Indien naderhand bevonden wordt, dat bij misvatting iets verkeerdelijk op den inventaris gebragt, of overgeslagen is, of ook bij vervolg aan de minderjarigen eenige goederen aankomen, moet zulks bij een ampliatie-inventaris verbeterd of aangevuld worden.

Art. 336.
Die ampliatie-inventaris wordt mede bij authentiek afschrift overgebragt en beŽedigd, op gelijke wijze, als zulks omtrent den inventaris is bepaald.

Art. 337.
De voogden, het zij alleen over de opvoeding van den persoon, het zij over den persoon en de goederen aangesteld, zijn verpligt om de minderjarigen, naar derzelver staat, bezittingen, en vermogens van geest en ligchaam, optevoeden, en door het opleiden tot een gepast beroep of middel van bestaan, dezelve tot bekwame leden van den staat te vormen.

Art. 338.
Onder hun opzigt geschiedt die opvoeding bij de moeder, ook na het aangaan van een tweede huwelijk, ten zij gewigtige redenen, uit het belang der minderjarigen afgeleid, zulks beletten.

Art. 339.
Tot het goed maken van de kosten dier opvoeding gebruiken de voogden de inkomsten van der minderjarigen goederen, zoo verre die daartoe noodig zijn; en, zoo dezelve daartoe, in weerwil van alle gepaste bezuiniging, niet toereiken, zelfs een gedeelte van het kapitaal; doch dit laatste nooit anders, dan op autorisatie van de weeskamer of van het geregt.

Art. 340.
Geene minderjarigen mogen, ter opvoeding, buiten ís lands gezonden worden, dan met toestemming van het geregt, na verhoor der naaste bloedverwanten van zoodanige minderjarigen: voogden, welke hunne pupillen op eene buitenlandsche hooge school of universiteit zouden willen zenden, zullen bovendien daartoe moeten voorzien zijn van des Konings toestemming.

Art. 341.
De goederen, die bederf of vermindering in waarde onderworpen zijn, moeten worden verkocht en te gelde gemaakt, gelijk mede de roerende goederen, die geene vruchten geven, en welke de voogd oordeelt, dat in de omstandigheden, waarin zich de pupil bevindt, gemist zouden kunnen worden.

Art. 342.
De onroerende goederen moeten behoorlijk worden in stand gehouden, en op de voordeeligste wijze worden verhuurd, zoo veel mogelijk niet langer dan tot des pupils meerderjarigheid.

Art. 343.
De inschulden moeten met vlijt worden ingevorderd, en zoo veel mogelijk gezorgd, dat de minderjarigen door wanbetaling van den schuldenaar geen nadeel lijden.

Art. 344.
De telkens inkomende gelden moeten tot afbetaling der schulden, waarmede de boedel bezwaard is, en tot de opvoeding der pupillen, volgens art. 337, gebruikt, en de overschietende gelden belegd worden in landerijen, constitutiŽn van renten, obligatiŽn of fondsen op dit koningrijk, alsmede in hypotheken op landerijen; mits in dit laatste geval het pand ten minste een derde meer waarde hebbe, dan de daarop gevestigde hypotheek, ingevolge tauxatie, daarvan door gequalificeerde personen gedaan.

Art. 345.
De effecten en kostbaarheden, in den boedel gevonden, gelijk mede de, ingevolge het vorig artikel, naderhand verkregen effecten en bewijzen van eigendom,moeten, met alle de daartoe behoorende bescheiden, ter weeskamer, daar dezelve aanwezig en niet uitgesloten is, overgebragt en bewaard worden.

Art. 346.
De weeskamer uitgesloten zijnde, blijven de effecten en kostbaarheden berusten onder de voogden, die verpligt zijn voor derzelver bewaring zorg te dragen, in het bijzonder ook in diervoege, dat de eene voogd daarover buiten den anderen niet beschikken kan. Die daarin te veel vertrouwen in zijn medevoogd stelt, maakt zich, in geval van schade, verantwoordelijk.

Art. 347.
In het algemeen moet de voogd, in het bestuur van der minderjarigen goederen, den pligt van een goed huisvader betrachten.

Art. 348.
Hij is gehouden alle schade, die, door kwalijk te doen, of door natelaten hetgeen had moeten gedaan worden, veroorzaakt wordt, te vergoeden.

Art. 349.
Alle handelingen en verbindtenissen, den minderjarigen betreffende, moeten worden aangegaan door den voogd, in zijne qualiteit, of door den minderjarigen, met zijnen voogd geadsisteerd.

Art. 350.
De minderjarige wordt daardoor verbonden, en kan daaruit, ook na zijne meerderjarigheid, worden aangesproken; immers, zoo lang hij,op grond van aanmerkelijke benadeeling, geen herstel daartegen verkregen heeft.

Art. 351.
De handelingen, door den minderjarigen, buiten die adsistentie, aangegaan, zijn nietig.

Art. 352.
Dit echter kan uitzondering lijden:

  1. Wanneer die handelingen door de opgevolgde toestemming van den voogd bekrachtigd zij;
  2. Voor zoo verre den minderjarigen door die handelingen is gebaat, en hij zijnen staat verbeterd heeft; en
  3. Wanneer de minderjarige, mondig geworden zijnde, die handelingen uitdrukkelijk of stilzwijgend bekrachtigt.

Art. 353.
Alle regtsgedingen den minderjarigen, het zij als eischer, het zij als verweerder, betreffende, moeten gevoerd worden door den voogd in zijne qualiteit, of door den minderjarigen, met zijnen voogd geadsisteerd.

Art. 354.
Dit echter kan uitzondering lijden, wanneer de minderjarige, wegens misdaad, gevangen of gedagvaard is om in persoon te verschijnen.

Art. 355.
Het staat aan geenen voogd vrij, om voor den minderjarigen een regtsgeding, als aanlegger of verweerder, te voeren, dan na bekomen autorisatie van de weeskamer of van het geregt.

Art. 356.
De zaak bij vonnis ten nadeele van den minderjarigen beslist zijnde, mag de voogd van dat vonnis niet komen in hooger beroep, dan na daartoe door het geregtshof, waar die zaak zoude moeten dienen, geautoriseerd te zijn.

Art. 357.
De voogd zonder zoodanige autorisatie een regtsgeding voerende, en hetzelve tot nadeel van den minderjarigen uitgewezen wordende, is hij gehouden om alle kosten, daardoor veroorzaakt, uit zijne eigene beurs te voldoen, zonder die aan den minderjarigen in rekening te mogen brengen.

Art. 358.
Eene koopmanschap, handwerk of nering, door den overledenen gedreven of geoefend, mag door den voogd tot onderhoud der minderjarigen worden aangehouden, doch niet anders dan met goedkeuring van de weeskamer of van het geregt; de voogd, zulks doende zonder die goedkeuring, is gehouden, alle schade, door die aanhouding veroorzaakt, uit zijne eigene beurs aan den minderjarigen te vergoeden.

Art. 359.
Een voogd, gerade oordeelende om een geschil, waarin de minderjarige betrokken is, bij accoord of transactie af te doen, of aan de uitspraak van arbiters te verblijven, is verpligt, de acte daarvan te passeren op autorisatie, of onder goedkeuring van de weeskamer of van het geregt.

Art. 360.
Geen voogd mag eene erfenis, den minderjarigen opgekomen, aanvaarden of afwijzen, dan na bekomen autorisatie van de weeskamer of van het geregt, welke, het aanvaarden van zoodanige erfenis geraden oordeelende, de autorisatie daartoe, naar de omstandigheden, verleenen zal, of eenvoudig, of onder de mits van aanvaarding onder benificie van inventaris.

Art. 361.
Bijaldien deze erfenis, in den naam van den minderjarigen afgewezen zijnde, door niemand anders mogt aanvaard zijn, kan dezelve naderhand als nog aanvaard worden, het zij door den voogd, mits daartoe nader door de weeskamer of het geregt geautoriseerd, het zij door den minderjarigen zelven, wanneer deze mondig geworden is; doch moet zoodanige erfenis, in beide gevallen, aanvaard worden in den staat, waarin dezelve zich als dan bevindt, en zonder eenig regt of aanspraak, wegens verkoop, of eenige andere daden, welke op eene wettige wijze, inmiddels, en gedurende het vaceren dier nalatenschap, mogten hebben plaats gehad.

Art. 362.
Eene donatie of legaat, aan een minderjarigen gedaan of gemaakt, kan door den voogd voor zijnen pupil niet aangenomen of afgewezen worden, dan met autorisatie van de weeskamer of van het geregt.

Art. 363.
Geen voogd mag onroerende goederen of reŽle regten, op onroerende goederen gevestigd, den minderjarigen toebehoorende, zonder toestemming van de weeskamer of van het geregt, vervreemden of verpanden.

Art. 364.
ConstitutiŽn van renten, obligatiŽn of fondsen op dit koningrijk, of eenige andere mogendheid, hypotheekbrieven, mitsgaders kostbare roerende goederen, van goud en zilver, edele gesteenten, paarlen, verzamelingen, betreffende de kunsten en wetenschappen, of van zeldzaamheden, staan in dit opzigt met onroerende gelijk.

Art. 365.
De weeskamer of het geregt zal, in het verleenen van die toestemming, op het naauwkeurigst toezien, dat die vervreemding of verpanding niet anders gedaan worde, dan om dringende redenen van noodzakelijkheid, en tot wezenlijke bevordering der belangen van den minderjarigen.

Art. 366.
Het beleggen van gereede gelden, tot den boedel van den minderjarigen behoorende, in effecten op vreemde mogendheden, of tot aankoop van onroerende goederen, of op hypotheken, behalve die welke in artikel 344 zijn vermeld, of het beleggen dier gelden onder borgtogt, is den voogden niet geoorloofd, dan na bekomen autorisatie van het geregt.

ZEVENDE AFDEELING

VAN HET EINDIGEN DER VOOGDIJ EN HET DOEN VAN

REKENING EN VERANTWOORDING

Art. 367.
De voogdij eindigt geheel en al:

  1. Door het overlijden van den minderjarigen;
  2. Wanneer de pupillen den ouderdom van drie-en-twintig jaren vervuld hebben; en
  3. Door emancipatie.

Art. 368.
Ten aanzien van den voogd, eindigt de voogdij:

  1. Door den dood van den voogd;
  2. Door verleend ontslag aan den voogd, om eene wettige reden, gedurende de voogdij opgekomen;
  3. Door een tweede huwelijk, voor zoo veel de moeder en grootmoeder betreft; en
  4. Door eene geregtelijke afzetting van den voogd, en wering van denzelven van de voogdij.

Art. 369.
Alle voogden, of, bij derzelver overlijden, hunne erfgenamen, zijn tot het doen van rekening en verantwoording verpligt.

Art. 370.
Die verpligting heeft plaats gedurende de voogdij:

  1. Aan de weeskamer, of, waar dezelve niet bestaat, of uitgesloten is, aan het geregt, zoo dikwijls deze noodig oordeelen verantwoording te vorderen;
  2. Aan den geen, die, bij overlijden, ontslag, of afzetting van den voogd, aan denzelven in de voogdij opvolgt; en
  3. Aan den toezienden voogd, op den voet bij artikel 318 bepaald.

Art. 371.
Bij het eindigen der voogdij, is de voogd in allen gevalle verpligt aan zijnen gewezen pupil, of aan deszelfs erfgenamen rekening en verantwoording te doen.

Art. 372.
Eene algemeene quitantie van den gewezen pupil, of een accoord over het geen hem ter zake der voogdij mogt toekomen, is onvoldoende, en ontslaat den voogd niet, om nog naderhand tot het doen van rekening en verantwoording te worden aangesproken.

Art. 373.
In die rekening moeten alle de posten van den inventaris behoorlijk worden verantwoord.

Art. 374.
Ten aanzien van de zoodanige, die niet zijn ingekomen, moet bij de rekening worden gemeld, en, desnoods, door bewijzen worden aangetoond, welke vlijt ten dien opzigte door den voogd is aangewend.

Art. 375.
In deze rekening moet in ontvang gebragt worden alles wat ontvangen is, en had behooren ontvangen te worden.

Art. 376.
In ontvang moeten ook gebragt worden de vergoedingen van alle schaden, welke de voogd, door ontrouw of verzuim, aan den minderjarigen mogt hebben veroorzaakt.

Art. 377.
Daarentegen wordt in de uitgaaf van deze rekening gebragt alles, wat de voogd, ten behoeve en nutte van den minderjarigen, betaald heeft.

Art. 378.
Alle posten van betaling moeten door quitantiŽn bewezen worden; ten ware dezelve van dien aard of geringe waarde zijn, dat men niet gewoon is daarvan quitantie te nemen.

Art. 379.
In die uitgaaf wordt ook geleden eene redelijke somme voor salaris van den voogd.

Art. 380.
Voor salaris mag een voogd, of, zoo er meer voogden zijn, mogen zij te zamen, tot belooning der algeheele en gezamenlijke administratie, berekenen den veertigsten penning van de ontvangst, den tachtigsten penning van de uitgaaf, en den honderdsten penning van gereede gelden, die in den boedel gevonden, of die van verkochte goederen of van afgeloste kapitalen voortgekomen zijn.

Art. 381.
Voor het genot van dit salaris is de voogd verpligt, het geheele bestuur der voogdij uittevoeren, ten ware buitengewone moeite en arbeid in de vereffening des boedels nog bovendien eene belooning voor tijdverzuim en vacatiŽn billijk vorderen; waarvan de begrooting, in geval van verschil, de weeskamer of aan het geregt wordt overgelaten.

Art. 382.
Zoodra de rekening gesloten is, is de voogd verpligt het batig slot van dezelve, benevens alle goederen, bewijzen van eigendom, constitutiŽn van renten, effecten en fondsen, en generaalijk alle baten en profijten, ter zake van de voogdij onder hem zijnde, aan den gewezen pupil, of deszelfs erfgenamen uittekeeren.

Art. 383.
Vůůr die uitkeering is elk der besturende voogden voor het geheel aansprakelijk.

Art. 384.
Indien echter het bewind, bij uitersten wil, of door de weeskamer of door het geregt, tusschen de voogden verdeeld is, is ieder alleenlijk voor zijn bestuur verantwoordelijk.

Art. 385.
De voogd, die onmiddellijk eenige schade veroorzaakt heeft, is tot derzelver vergoeding in de eerste plaats aansprakelijk, en de overige voogden niet verder, dan voor het te kort komende, het welk aan den eerstgemelden voogd niet kan worden verhaald.

Art. 386.
Voor het gene de voogden, op last of met goedvinden van de weeskamer, of van het geregt, verrigt hebben zijn zij niet aansprakelijk.

Art. 387.
Tegen de weeskamer of het geregt zelve heeft de gewezen pupil nimmer eenige actie tot schadevergoeding, dan alleen in het geval dat zij bedrieglijk, of met eene onverschoonlijke achteloosheid, die met bedrog behoort gelijk gesteld te worden, gehandeld hebben.

Art. 388.
De actie van den minderjarigen tegen zijnen voogd, wegens zaken tot de voogdij betrekkelijk, wordt geprescribeerd door een tijdverloop van tien jaren, te rekenen van den tijd der meerderjarigheid.

NEGENDE TITEL

VAN EMANCIPATIE OF ONTSLAG UIT DE

MAGT VAN OUDERS OF VOOGDEN

Art. 389.
Minderjarigen worden door het aangaan van een huwelijk uit de magt hunner ouders of voogden ontslagen.

Art. 390.
Een minderjarige, eenmaal door het huwelijk uit de magt van ouders of voogden ontslagen zijnde, en dit huwelijk, nog staande den minderjarigen ouderdom, ontbonden wordende, vervalt niet weder onder derzelver magt.

Art. 391.
Minderjarigen worden ook ontslagen uit de magt van hunneouders of voogden door het verkrijgen van brieven van venia śtatis, bij den Koning of van zijnent wege verleend.

Art. 392.
Jonge lieden, die den ouderdom van achttien jaren niet bewijzen vervuld te hebben, en niet voorzien zijn van een goed getuigenis van het bestuur hunner woonplaats, nadat hetzelve de ouders of voogden te dier zake gehoord heeft, worden tot het verzoeken der brieven van venia śtatis, in het vorig artikel vermeld, niet toegelaten.

Art. 393.
Venia śtatis staat in hare gevolgen gelijk met den vervulden ouderdom van drie-en-twintig jaren: dienvolgens bekomen de genen, die venia śtatis verkregen hebben, het vrije beheer en de volkomene beschikking over hunne goederen; ook van dezulken, waarop een verband tot hunne meerderjarigheid gelegd was; ten ware duidelijk bleek, dat de erflater daarmede eenen zekeren bepaalden ouderdom bedoeld hadde.

Art. 394.
Minderjarige kinderen, met voorweten hunner ouderen, op zich zelven wonende, en eenigen handel of trafijk in het openbaar oefenende, worden in het aangaan van alle de verbindtenissen, dien handel betreffende, gehouden voor meerderjarig, en ontslagen van de ouderlijke magt.

TIENDE TITEL

VAN MEERDERJARIGHEID EN VAN CURATELE

EERSTE HOOFDSTUK

VAN MEERDERJARIGHEID

Art. 395.
Voor meerderjarigen worden gerekend jonge lieden, die den ouderdom van drie-en-twintig jaren vervuld hebben, of eerder zijn geŽmancipeerd.

TWEEDE HOOFDSTUK

VAN CURATELE

Art. 396.
Meerderjarigen, die, wegens ziels- of ligchaams-gebreken, of om andere redenen, niet in staat zijn om hunne personen te beschermen, of hunne goederen te bestieren, worden gesteld onder curatele.

Art. 397.
Dit geschiedt door den regter, en wel over het algemeen door den regter der woonplaats, het zij ambthalve, het zij op verzoek van nabestaanden of belang hebbenden, het zij eindelijk ten verzoeke van den persoon zelven, omtrent welken deze voorziening noodig is.

Art. 398.
De redenen van eene curatele kunnen van dien aard zijn, dat ook tevens, tot voorkoming van ongelukken of merkelijke ongeregeldheden, een confinement, of opsluiting voor een tijd, door den regter wordt gedecerneerd.

Art. 399.
Die zich bij een verleend confinement of curatele bezwaard acht, mag daarvan komen in hooger beroep; maar inmiddels moet het verleende confinement of curatele voortduren.

Art. 400.
Onder curatele worden gesteld:

  1. Zinnelooze, razende of dolle menschen;
  2. Die, wegens doofheid, stomheid, blindheid, ouderdom of aanhoudende ziekte, de curatele begeeren, of daarin toestemmen;
  3. Verkwisters of doorbrengers van hunne goederen; en
  4. Afwezenden, voor zoo veel hunnen boedel betreft.

Art. 401.
Tot curator stelt de regter aan een zoodanig persoon of personen, als hij tot de waarneming der curatele geschikt oordeelt: zoo geene redenen daartegen zijn, geeft hij den voorrang aan de vrouw, of aan de nabestaanden.

Art. 402.
Niemand kan echter genoodzaakt worden, om zich met de waarneming van curatelen te belasten.

Art. 403.
Ouders, bij uitersten wil ťťn of meer curateuren over hunne meerderjarige kinderen, die, wegens ziels- of ligchaams-gebreken, of door afwezendheid, buiten staat zijn om hunne personen te beschermen, of hunne goederen te bestieren, benoemd hebbende, zal daarvan, dadelijk na het overlijden, aan den regter kennis gegeven en bevestiging verzocht worden, welke, naar bevind van zaken, door denzelven zal worden verleend.

Art. 404.
Niemand, behalve de echtgenoot en de nabestaanden, in de opgaande of nederdalende linie, van den persoon, die onder curatele gesteld is, is gehouden, langer dan tien jaren deze curatele waar te nemen; na welk tijdverloop de zoodanige zijn ontslag zal kunnen vragen. En een ander in zijne plaats zal moeten worden aangesteld.

Art. 405.

Van alle curatele moet openbare afkondiging gedaan worden.

Art. 406.
Die geconfineerd, of wier persoon en goederen onder curatele gesteld zijn, zijn onbevoegd, om zich door eenige handelingen te verbinden, op gelijke wijze als zulks ten aanzien van minderjarigen plaats heeft.

Art. 407.
Handelingen of verbindtenissen van personen, wegens gebrek aan of zwakheid van verstandelijke vermogens, onder curatele gesteld, vůůr de afkondiging der curatele verrigt en aangegaan, kunnen vernietigd of gerescindeerd worden, indien de oorzaak van het decerneren der curatele reeds klaarblijkelijk bestond, ten tijde dat dezelve handelingen of verbindtenissen werden verrigt of aangegaan.

Art. 408.
Na iemands door kunnen zijne handelingen of verbindtenissen in regten niet betwist worden, ter zake van zinneloosheid, dan wanneer vůůr zijn overlijden een curatele over zijn persoon mogt verzocht of verleend zijn; ten ware het bewijs van zinneloosheid uit de handelingen of acte der verbindtenis zelve voortvloeit.

Art. 409.
De pligt van den gestelden curator bestaat in het maken van inventaris, het gadeslaan van den persoon onder curatele gesteld, en het besturen van zijne goederen, even als een voogd zulks omtrent den minderjarigen doet.

Art. 410.
De curator moet acht geven dat de inkomsten der goederen van personen, die onder curatele gesteld zijn, mede, voor zoo verre zulks noodig is, en geschieden kan, ter verzachting van hun lot en bevordering van hunne herstelling besteed worden.

Art. 411.
Zijne magt bestaat in het verleenen van adsistentie zoo in als buiten regten; mits, in het aanleggen van regtsgedingen, het aangaan van transactiŽn, compromissen, of bedenkelijke verbindtenissen, en het vervreemden of verpanden van onroerende, en met dezelve ten dien aanzien gelijk gestelde goederen, zich voorziende van des regters autorisatie, op gelijke wijze als een voogd daartoe verpligt is.

Art. 412.
Wanneer de oorzaken der curatele ophouden, eindigt dezelve; doch wordt niet te min door den regter, die de curatele verleend heeft, de opheffing derzelve, mede bij openbare afkondiging, bekend gemaakt.

Art. 413.
De gestelde curator is verpligt, telken jare aan het geregt rekening en verantwoording van zijn gehouden bewind te doen, als mede, na het eindigen der curatele, eene algemeene rekening en verantwoording te doen aan den genen, wiens curator hij geweest is, of aan deszelfs erfgenamen.

Art. 414.
Het salaris van curateuren wordt berekend op gelijken voet, als zulks ten aanzien van voogden plaats heeft.

Art. 415.
De pligt en magt van eenen curator, die gesteld is om in opgekomen erfenissen eenen uitlandigen te vertegenwoordigen, om eenen onbeheerden boedel, waarvan de erfgenamen onzeker zijn, te bewaren en tot effenheid te brengen, om een verlaten boedel, die met schulden beladen is, te beheeren, en soortgelijke, regelen zich naar den inhoud der aan hem opgedragen commissie, naar de bepalingen van bijzondere wetten en reglementen, en verder naar de algemeene voorschriften, omtrent voogdij en curatele, en, met betrekking tot vacerende erfenissen, vastgesteld.

top

copyright © sHGV                                               last update: 18-01-2008

  copyright © sHGV                                                                               last update: 18-08-2008